Voor wie graag gedichten in gedrukte vorm leest, is er mijn bundel Verzinnen. Deze bevat uitsluitend vormvaste gedichten. Klik op de coverfoto voor meer info.
Copyright: wilt u een gedicht overnemen? vraag aub eerst toelating en vermeld mij als schrijver
Opmerking: indien er reclame in het titelveld staat, gelieve dan even op de Refresh-knop te duwen ("Herlaad pagina").
20-03-2010
Welkom!
Beste bezoeker,
U vindt op deze weblog een selectie uit mijn gedichten, zowel in vaste als in vrije vorm (niet geplaatst in chronologische volgorde van schrijven). Behalve gedichten kunt u hier ook nieuwtjes of columns lezen. U kan ook googlen op mijn naam, dan komt u bij enkele gedichtensites en digitale poëzietijdschriften, of u kan de links aanklikken in de linkerkolom.
"Op papier" kunt u mij vinden in nr. 45 van Krakatau, in de bundel "Poëzie op Pootjes" (editie 2008), in enkele verzamelbundels met geselecteerde gedichten uit poëziewedstrijden, in "Het beste van Poëzie in het Park" (Amsterdam Wereldboekenstad), in de nrs. 38 en 41 van Opspraak Magazine, in de jubileumuitgave "Blauwbilgorgel 65 jaar" (Uitgeverij Liverse) en in mijn eigen bundel "Verzinnen". Ik was ook meermaals laureaat in poëziewedstrijden.
Af en toe ziet u mij op een podium, bv. Onbederf"lijk Vers 2007, openbare bibliotheek Amsterdam, "Poëzie in het Park" (diverse parken in Amsterdam 2008-2009), bibliotheek Nieuwegein (Opspraak), Creatief Schrijven en Ghent in Cap (Gentse Feesten), Lamberzinne (Antwerpen).
Wie het aandurft om te luisteren naar Mijn Gezongen Gedichten, kan terecht op mijn Nederlandse weblog http://veradebrauwer.punt.nl/ waar reeds een veertigtal gedichten te beluisteren zijn.
Ik hoop u vaker te mogen verwelkomen op mijn weblogs.
Op 8 april van dit jaar plaatste ik een stukje getiteld "De weg naar Gent". Deze tekst was de aanleiding tot het schrijven van volgend sonnet. Wie de tekst wil (her)lezen, kan in het archief in de rechterkolom op "4-2010" klikken. Daarna naar onder scrollen.
Wat heb ik een mottige nacht achter de rug. Ik ben doodop. Gisterenavond ben ik pas na het inventariseren van het hele schapenbestand van Schotland in slaap gevallen. Ontelbare keren wakker
geworden, onder andere van gesnurk aan gene zijde en van pijn in de knieën aan deze zijde (ik
heb dat de laatste tijd vaker, misschien zijn het krimppijnen). Uiteindelijk
het Grote Ontwaken, terwijl het nog pikdonker was. Zo pikdonker als slaand op het betreffende lichaamsdeel van een Afrikaan van tegen de evenaar. En dan wachten op het Licht en
op de wekkerradio.
Om, wanneer die laatste dan uiteindelijk begint te spelen en via gene
zijde direct het zwijgen wordt opgelegd, te denken dat ik de paar maten popmuziek enkel gedroomd heb. Nee hoor, het is dag! Een klets water in het gezicht, een paar koppen koffie en een paar boterhammetjes moeten me opkikkeren. Het gisterenavond uit de diepvriezer gehaalde half brood blijkt rozijnenbrood te zijn. Donderdag wordt plots een beetje zondag. De eerste, wat droge snee wordt gepromoveerd tot toast. Lekker, met goede boter, of boerenboter zoals wij thuis zegden. De broodrooster vindt echter dat het nog lang geen zondag is en spuwt een halfverbrande toast uit, die ik koppig toch naar binnen speel, na het afbreken van de zwartste stukken. 's Mans brooddoos wordt liefdevol gevuld en uitgewuifd. Straks ga ik boodschappen doen. De tassen hangen al klaar... onder mijn ogen.
Voetbal, ik word er niet koud en niet warm van. Enige jaren
terug mocht ik via het systeem van Chinese vrijwilliger als gezelschapsdame van een klant fungeren. De vrouw had via een wedstrijd, georganiseerd door de
bank waar ik toen aan het loket zat, een zitje in de Business seats gewonnen.
Eerst een lekker menuutje, overgoten met bijpassende wijntjes, dan een
comfortabele zetel om hoog en droog de match te volgen. Nu ja, droog... we
werden voldoende voorzien van allerlei natjes.
Of ze een voetballiefhebber was? Welnee, ze deed gewoon mee
aan alle wedstrijden in de hoop ooit iets te winnen, vertrouwde ze me toe. En
kijk, het was haar gelukt: ze had prijs! Naar het voetbal! We waren de enige
vrouwen in het gezelschap en amuseerden ons opperbest. Het eten smaakte, de
wijn ook. Verzadigd ploften we in de zachte zetels. De match begon, ons
babbeluurtje ook.
Oh? Was het al koffiepauze? Sorry, halftime bedoel ik. Time for
desert! En een pousse-cafeetje. Giechelend trokken we opnieuw
richting zeteltjes. Vreemd, dat onze ploeg blijkbaar in eigen doel trachtte te
shotten. Hoezo? Was dat ons doel niet meer? Hadden we gewisseld? We stoorden er
ons niet aan en babbelden verder. Plots stonden alle mannen in de kamer recht.
Beteuterd rondden de klant en ik ons gesprek af, niet wetend welke ploeg
gewonnen had.
Hieraan moest ik gisteren terugdenken toen ik het laatste
kwartier van de match Nederland-Spanje bekeek, de verlengingen en het doelpunt
van Spanje. De oranjegekte was misschien wat overdreven, anderzijds trad het
land toch als één natie naar buiten.
Stel je voor dat België mee had mogen doen aan het WK.
Veronderstel heel even dat we een paar matchen hadden gewonnen. Hoe zouden
"wij" gesupporterd hebben? Met de nationale driekleur in onze handen?
Met zwart-geel-rode strepen op onze gezichten? Met dito mutsen en pruiken? Of
zouden de straten gevuld geweest zijn met Vlaamse leeuwen en Waalse hanen? En wat
als het dan geen Iniesta was die de beslissende bal het net inschoot, maar zo'n
leeuwke, of zo'n haantje? Was het dan op slag toch een Belg geworden?
"Nee,
het is niet gemakkelijk. - Tuurlijk, tuurlijk! - Ja, ge kunt niet anders
hé." Haar helft van het gesprek is door iedereen te volgen. Een vrouw is
aan de balie gaan staan. De belster klemt haar gsm tussen oor en schouder en
praat verder. Ondertussen neemt ze het boek, scant het in, neemt het biljet van
20 euro, legt wisselgeld op de balie, steekt boek en kassabon in een plastic
zakje. Dat alles zonder één woord met de klant te wisselen, zonder haar een
blik te gunnen.
Een meisje
en een jongen komen naar de balie met een Bongobon en een boek in de vorm van
een pizza. "Ik ga u moeten laten. - Ja (zucht), het is druk." Of in
de Bongobon ook het proeven van de wijnen inbegrepen is? Nee, het is enkel een
bon om wijn mee te kopen. Of ze die bon met het proeven erbij misschien ook
heeft? Zou kunnen. Verveeld wijst ze naar het rek. Of het dezelfde prijs is?
Nee, het zijn allemaal verschillende prijzen. Overbluft door deze overdaad aan
hulp beslissen de jongelui de bon toch maar te kopen. Zou ze hem alstublieft
willen inpakken? Zonder te antwoorden neemt ze het doosje en draait zich om.
Wanneer ze het prijsetiket er heeft afgehaald komt de jongen opgewekt met een
ander doosje naar de kassa: gevonden! Met een gezicht alsof ze zelf azijn aan
het proeven is, hoort de onwillige sommelier het meisje vragen of ze
alstublieft déze bon wil inpakken en niet de andere.
Er wordt
afgerekend: Bongo in feestkostuum en pizza verdwijnen samen in een zakje. Blij
dat ze het perfecte cadeau gevonden hebben, zelfs zonder hulp van de boze heks,
wensen Hans en Grietje haar nog een fijne namiddag toe. Zij hoopt in stilte dat
ze verloren lopen in het grote winkelbos. Brr, dan is het mijn beurt om mijn
vinger door de tralies te steken.
Misschien
denkt ze dat alle boeken in haar winkel unieke exemplaren zijn. Dat alle
auteurs een nergens anders te verkrijgen boek hebben geschreven, speciaal voor
haar. Háár boeken dus, die ze eigenlijk liever niet verkoopt. Wat zal ze
gelukkig zijn dat ik voortaan mijn boeken elders ga kopen. Daar waar ik er een glimlach
als gratis bladwijzer bijkrijg.
Hij is op kamp
vertrokken. Alleen. Met een klasgenootje, met honderden andere kampgangers,
zonder ons. Zijn zus gaat al jaren op kamp. Die laat ons nog voor de
jaarwisseling al weten dat ze de volgende zomer weer op kamp gaat, samen met
haar vriendin. Voor het geval we zouden durven twijfelen.
Hij niet.
Toen ik begin dit jaar polste of hij dan nooit zin had een weekje te gaan
ravotten met leeftijdsgenootjes, besliste hij plots het ook eens te proberen.
Over hoeveel nachten spraken we? Zeven. Ik zag hem de zeven nachten ver van
huis afwegen tegenover het eventuele meerplezier. Het risico leek draaglijk...
als er iemand uit zijn klas meeging. Ik vroeg wiens ouders ik moest opbellen.
De moeder die ik aan de lijn had, was onmiddellijk enthousiast, net als de zoon.
En dus
staan we hen op de eerste dag van de grote vakantie samen uit te zwaaien. Een
half uur lang, omwille van de schijnbewegingen die de bus maakt. Twee moeders, twee
zonen. Twee slaapzakken, twee bomvolle tassen met ondergoed, T-shirts, shorts,
zonnemelk factor 50 omdat 100 niet bestaat, en alles wat nodig is om een week
te overleven vanonder moeders vleugels.
Thuisgekomen
zoek ik een kaartje. De dochter is het gewoon maffe post te krijgen van het
thuisfront. Hij niet. Twee schaatsende ijsberen onder een lucht vol sneeuw?
Ideaal. Op de sjaals van de beren schrijf ik respectievelijk zijn naam en die
van het klasgenootje. Kaartje geschreven, adres op de envelop, postzegel erop,
klaar op de keukentafel. Daarna leg ik de computer aan. Ah, een mailtje van de
muziekleraar. Dat onze zoon in september voor de start van zijn trompetlessen
misschien een gloednieuw instrument mag gebruiken want de school gaat er een
extra aankopen. Ondanks het half uur uitzwaaien en het schrijven van een
kaartje roep ik luidkeels YENTE! om hem het goede nieuws te melden.
Vorig jaar (of is het al twee jaar geleden, Vadertje Tijd
heeft tegenwoordig loopschoenen met vering) zouden we naar een optreden gaan
van een "human beatbox". Off the record heette die.Op het internet vonden we positieve
commentaren over de heren Vandeplaat en op Gijbuisvonden we te gekke filmpjes. Wij dus
dolenthousiast een fantastische avond tegemoet.
Dachten we.Aan de kassa
haalden we onze gereserveerde tickets af en daarna keuvelden we wat.
"Spijtig hé dat Off the record ondertussen gesplit is." Gesplit?
Hoezo, gesplit? Had de aangekondigde beatbox opgehouden te bestaan? Wie zou er
dan het podium bestijgen? "Een
groepje gitaristen. Afwachten wat het gaat worden want het is
experimenteel." Ikterug naar de
kassa . Men van het loket dacht dat wij op
de hoogte moesten zijn want Men van de reserveringen had Ons toch verwittigd?
Neen, Men van de telefoon had Ons overgeslagen. Men van de telefoon had niet
eens Ons nummer. "Oh. Maar het
wordt goed, hoor. Het is experimenteel!" We hadden nu toch al ons jaarlijks
bad genomen, dus konden we net zo goed blijven. Ons onderdompelen in het gitaristische experimentele.
Deuren open. Wij binnen. Een immens doek onttrok het podium
aan ons zicht. Licht uit, experiment aan. Er werden in hels tempo allerlei
beelden geprojecteerd op het scherm, een kakafonie aan kleuren, afgewisseld met
zwart-wit, oude beelden, nieuwe beelden, bewegend, stilstaand, portretten,
landschappen, en ondertussen schalden de gitaren. Voor ons onzichtbaar, maar
des te beter te horen. Gelukkig had ik in mijn jaszak kleine plukken watten
zitten. Die zitten daar vaak, om ze zeker niet te ontberen als we gaan wandelen
of gaan fietsen. Ik heb kouwelijke gehoorhangen. En gevoelige, zeker op experimenteel vlak.
Nochtansviel het best
te pruimen, dat optreden. Ik begreep dan ook niet waarom na elk stuk de zaal
een beetje verlatener oogde. Met watjes in de oren en de ogen gesloten (je weet
maar nooit of je niet voorbestemd bent voor epilepsie) viel het allemaal goed
mee. Je kunt niet overal een melodie willen in herkennen.
Na de laatste beproeving der watjeslozen kwamen de
gitaristen vanachter hun podiumbreed doek, kijken of er enig applaus te rapen
viel. Eén van hen had zowaar een filmcamera op de schouder en filmde het nog
aanwezige publiek. Als materiaal om te gebruiken wanneer ze zich gingen
voorstellen bij andere organisatoren van culturele evenementen. "Zie je
wel, er zat nog publiek in de zaal toen het optreden afgelopen was. En sommigen
applaudisseerden!"
Daarna gingen wij op een terrasje iets drinken, om te
bekomen van het experiment. Aan de tafeltjes rondom ons zaten enkele
mensen met een verwilderde blik in de ogen, het haar recht. Ook
proefkonijnen.
wanneer mijn bede wordt verhoord oranjerode wolken kolken vanaf mijn kruin tot aan mijn tenen dan sijpelt na verloop van tijd het overschot aan vrolijkheid langs wangen, armen, borst en benen weg
zo weg als rood nooit rood geweest en eens die stroom op gang gebracht wordt donderdonker nagedacht dat is een kwaal die nooit geneest ik val mezelf dan weer zo tegen en regen het oranjerood eruit
(Dit is één van de winnende gedichten in de categorie volwassenen van de poëziewedstrijd 2008 van vtb-vab Opwijk, gepubliceerd in de toen uitgebrachte bundel. Het staat ook in mijn eigen bundel Verzinnen.)
In het literair e-zine Meander verscheen afgelopen weekend een interview met mij. Er werden ook drie gedichten gepubliceerd: Kalme zee, Grind en Taalbarrière.
Als je in een stukje (20/4/2010 "Algemene vergadering cultuurraad Ronse") schrijft dat je het jammer zou vinden wanneer de streektalen volledig verloren zouden gaan, dan moet je zelf het goede voorbeeld geven. Dus zong ik mijn gedicht "Intriest" ook eens in het dialect van mijn jeugd. Dit is de streektaal van de regio ten noorden van Gent (Oostakker, Zaffelare, Lochristi,...), niet te verwarren met het Gents, wat totaal andere klanken kent.
De gezongen versie is - zoals altijd - te beluisteren op mijn weblog met gezongen gedichten:
wij spraken nooit dezelfde taal al peuterde de kleuter die ik was letters uit zijn mond ik kraaide nimmer zijn gemak noch zijn onvermogen wel eigen wisselwoorden die hij niet verstond
stappen, fietsen, autorijden: vreemde talen die hij sprak of liever, schreeuwde tot het kristallen lexicon van mijn kinderliefde brak
deelden wij geen idioom waarop we samen konden bogen nu het zijne is vergeeld de harde kaft heeft losgelaten aanhoren wij elkanders taal met mededogen
(Met dit gedicht won ik de derde prijs in de Hilarion Thans poëziewedstrijd 2008.)
Op vier mei hemelde ik het nieuwste boek van Bernard Dewulf op. Ik vond "Kleine dagen" een parel en ik wist niet eens dat het genomineerd was voor de Libris literatuurprijs. Toen ik vernam dat Bernard de prijs gekregen had, was ik enorm blij voor hem. Een verzameling columns over het dagdagelijkse leven, meestal over zijn
kindertjes, en dat wint zo'n prestigieuze prijs. Fantastisch toch? Geen
hoogdravende prietpraat, geen oeverloos geneuk, geen zwartmakerij van collega-schrijvers, geen would be-literatuur, gewoon lieflijke verhaaltjes, maar dan wel verteld op een onnavolgbare manier, met Stijl ! Haaa... verademing. Ik gun het hem zo!
En wat zie je dan? Dat een net-niet-winnaar groen uitslaat van jaloezie. Dat hij het niet kan verkroppen dat iemand die "maar" columns schrijft die prijs wint. Dat er op Knack.be op 18 mei een column verschijnt waarin hij de stijl van de winnaar (wiens naam hij vijf keer vernoemt) belachelijk maakt en daar bovenop nog de persoon zelf ook. Hij heeft het er in zijn kwaadwillig stukje onder andere over dat mensen stinken, dat ze zich door de stank verbonden kunnen voelen. Meneer Peter Terrin, zoals ù stinkt, kunnen alleen andere jaloerse dikke nekken zich met u verbonden voelen...
Voor het eerste sonnet uit mijn gelijknamige bundel met vormvaste gedichten heb ik onlangs een melodie bedacht. Deze is te beluisteren op mijn weblog met gezongen gedichten: http://veradebrauwer.punt.nl/ De bundel is te koop via Unibook.com. Klik op de coverfoto om de link naar mijn boek te volgen.
Verzinnen
Er liggen veertien regels op de loer. Ik weet nog niet of zij een valstrik spannen, misschien mij naar verlegenheid verbannen om een gedicht dat slechts een woordensnoer
is, zonder inhoud of belang; droog voer, terwijl in fijner schotels, ranker kannen de poëzie verlokt tot proeven van een geraffineerder maal (zoals de Cour
du Nord serveert, zegt Michelin). Ach wat... wie weet gaat het wel andersom, zodat de verzen niet proberen míj te vangen
maar dat ik hén verleid. Kom dichterbij,... kom, luister naar mijn sprakeloos verlangen, verzin een lied, ver-zin wat leeft in mij.
Vorige week vrijdag, op de uitreiking van de Jotie T'Hooft poëzieprijzen 2010 heb ik enorm genoten van het allereerste optreden van Oepetijs, de groep van jeugdschrijver Marc de Bel. Als u deze groep ooit ergens op een affiche ziet prijken: ga luisteren, het is absoluut de moeite waard! Marc leest gedichten voor en de zangeres brengt onder instrumentale begeleiding bijpassende liedjes of een gezongen versie van het voorgedragen gedicht.
Ik had een promotie gezien: 25% korting bij aankoop van
Goodyear-banden. De eerste keer dat ik in de garage kwam, was het type banden
dat mijn autootje nodig had uitgeput. Maar de daarop volgende week zouden ze er
zeker zijn. Voor alle zekerheid belde ik de week nadien eerst even op. Het is
een heel eind omrijden als ik daarlangs wil passeren na het werk. De man kon zich niet herinneren dat ik al eens
in zijn werkplaats gestaan had. Ja hoor, de banden waren binnen, type H. Komt u maar langs! Ik begon aan de filerijke
omweg... meter per meter schoof ik naar mijn bestemming. Daar aangekomen meldde
ik mij: "'t Is voor die banden, ik heb daarstraks gebeld." "Ah?
Dat zal met nen collega geweest zijn. Zet u een beetje, het zal nog effekes
duren." Effekes een goed half uur later was het mijn beurt. Dat het voor
die banden was, dat ze de eerste keer niet binnen waren, maar nu wel. Of ik de
maat kende? Omdat ik ze net zo goed ken als die van mijn beha, diepte ik een papiertje op: "195/60
R15 88". De man bekeek zijn PC-scherm, fronste de wenkbrauwen (wat meestal
geen teken is van voorradige banden) en zei allervriendelijkst: "Die
hebben we niet binnen hoor." Niet binnen? Waren ze na mijn telefoontje van
een uur geleden al allemaal weer de deur uit? Of ik nog wist wie ik gesproken
had? Natuurlijk niet. Hij ging even informeren bij de baas. Ik zag de twee elkaar
verbouwereerd aankijken. Plots zag ik de enige mogelijke reden. "Dat is hier
toch het Antwerpenplein hé?" wees ik naar buiten. "Ha nee, dat is
hier De Sterre, het Antwerpenplein dat zijn onze collega's aan de Dampoort."
Had ik doodgemoedereerd naar de verkeerde Midas-vestiging gebeld. Als ik wou, mocht ik drie kwartiertjes wachten ( "'t
is spitsuur hé"), dan lieten ze de banden overbrengen van ginder. Ik bedankte
voor het aanbod en zei dat ik wel terugkwam.
En nu liggen er dus nieuwe
banden op mijn auto. Gloednieuwe, met eindeloos diepe profielen. Ik moet
opletten dat ik me er niet te diep over buig want als ik erin val, vind niemand
me nog terug. Het zijn H-banden. Er lagen eigenlijk T-banden op, maar die
raakten om commerciële redenen niet voorradig. Vanaf nu kan ik dus
aan een maximum snelheid van 210 km/u rondsnorren. Gelukkig maar, die 190 km/u waartoe
mijn vorige banden zich leenden, waren echt wel peanuts, zeker in de bebouwde
kom. Die T staat niet voor niets voor Traag...
Gisteren vond in Eine de uitreiking van de Jotie T'Hooft poëzieprijs plaats. Nee, ik viel niet in de prijzen... maar onze dochter Silke wél! Ze veroverde in haar leeftijdscategorie (12 tot 15 jaar) de derde prijs met haar gedicht "Wachten". Het thema voor deze categorie was "Aan mijn prinses".
Het was een gevarieerde avond met voordracht en muziek. Wat bij ons gezin het meest in de smaak viel, was het optreden van Marc de Bel en "zijn" zangeres en gitarist. De zangeres bracht met haar zuivere, warme stem enkele gedichten van Marc de Bel in het dialect: prachtig! Ook het optreden van Willy Pirotte mocht er zijn. Vooral bij de mooie vertelling "De man in de wolken" had hij het publiek in de ban.
Wachten
Leunend over het balkon wachtte ze,
op iemand die niet komen zou.
In de verte dreef een melkwitte wolk
die in haar gedachten
veranderde in een stoere hengst
die haar droomprins bij haar bracht.
"Aan mijn prinses",
de eerste regel van een nooit verstuurde brief
van haar allereerste lief,
waarop ze maanden had gewacht.
Terwijl ze zich losrukte van het balkon
greep het verdriet haar bij de keel.
Ze vulde een emmer met tranen
en begon met het poetsen van haar luchtkasteel.
Silke Henry
In bijlage: een foto van Silke die haar gedicht voordraagt
Ik heb me nog eens lekker ouderwets geërgerd. Het onderwerp
van mijn ergernis was één van de bedrijfsleiders die in het TV-programma
"Mijn restaurant" de verschillende restaurants ging keuren. Toen hij
achteraf zijn mening mocht ventileren, sprak hij de bescheiden woorden:
"Zoals ik in mijn bedrijf ook altijd zeg: silver is for losers".
Mijn door-kleurshampoo-verdoezeld-grijze haren rezen te berge. Het
zelfverklaard genie bloosde er niet eens bij, keek onverstoord in de lens.
Zou zo iemand ooit een vrouw in zijn van alle luxe voorziene
glimmende paleis durven binnenlaten? Stel je voor dat een nietsvermoedende dame
voor deze man in zijn hypermoderne keuken de meest exquise maaltijd moet bereiden.
Zou het kunnen dat hij de goedheid heeft
haar ongetwijfeld totale miskleun te vergeven? In de veronderstelling
natuurlijk dat ze het perfecte lichaam heeft, alles in goddelijke proporties op
de juiste hoogte. Haar jarenlange (maar ook weer niet té lange) succesvolle
carrière als gerespecteerde zakenvrouw niet te vergeten.
Stel je het onvoorstelbare voor... dat hij haar meetroont
naar bed. Het bed met de zijden lakens, de hoofdkussens gevuld met dons
van de uiterst zeldzame Arrogantis-eend. Dat zij hem het verrukkelijkste, meest fantastische orgasme bezorgt dat ooit een man op aard heeft mogen beleven.
Dat hij haar de gunst verleent zijn ultrahoogbegaafde kinderen te dragen. Kinderen die
geen beugel of bril nodig hebben, die uitblinken in alles wat ze ondernemen:
goud in atletiek, prima ballerina, zwarte gordel, virtuoos, noem maar op.
Nee. Het kan onmogelijk aangenaam leven zijn onder het dak
van deze man, noch prettig werken in de firma waar Pierre Perfect de gouden plak
zwaait. Laat ons hopen dat het een vrijgezel is die een éénmanszaak runt...
Ik ben aan het lezen. Dat is niet zo bijzonder. Ik vind het een
prachtig boek. Dát is wel bijzonder, voor mij. Lezen zorgt jammer genoeg
regelmatig voor een teleurstelling. Ik lees steeds de achterflapen enkele lukraak gekozen paragrafen voor ik
een boek ontleen. Toch lijkt het er achteraf soms op dat die flaptekst een heel
ander boek beschreef of dat de paragrafen in een ander verhaal thuishoorden dan hetgeen ik zelf heb
gelezen. Natuurlijk koop ik ook boeken, maar dan meestal diegene
waarvan ik op voorhand weet dat ik niet bedrogen uitkom. Ik heb dus veel boeken
staan in mijn boekenkast die ik tevoren in de bibliotheek heb ontleend. Of die
ik in de boekhandel heb uitgelezen. Stiekem, verscholen tussen de Italiaanse kookboeken
en de bloemschikcursussen, zoals ik deed met de bundel"Gedichten voor gelukkige mensen"
van Bart Moeyaert. Het winkelpersoneel kon niet klagen: ik heb de bundel na het
lezen netjes gekocht, zoals normale mensen doen.
Soms voel ik mij een parelvisser, wanneer ik uit de massa
nepparels die verspreid liggen op de bodem van de literatuurzee een echte
bovenhaal. Een kanjer van een parel, een glanzend wonder van woordkunst. Dan wordt het
plezier van de ontdekking, van de verrukking niet overschaduwd maar wel begeleid door een stille jaloezie. Dan wroeten gedachten als
"ik wou dat ik dit geschreven had" of "waarom schrijf ík
-verdomme- niet zo goed?" in het genot van het lezen, als een mol in de
groententuin. Dat heeft niets te maken met zucht naar winst. Misschien zelfs
niet met de drang naar prestige of bewondering door anderen. Het heeft eerder te maken met
eigenwaarde, fierheid op mezelf. Vera, kijk toch eens hoe origineel je het
banale verwoordt, hoe subliem je ieders alledaagse pruik presenteert. De vitrine
van de ijdelheid.
Ach, ik heb er vrede mee . Zolang ik boeken ontdek als
"Marcel" van Erwin Mortier of "Kleine dagen" van Bernard
Dewulf, kan ik mij erbij neerleggen dat ik zelf geen mooischrijver ben. Overigens,
het lezen van zulke boeken vraagt nogal wat minder tijd dan het schrijven
ervan. Zo heb ik nog ruimschoots tijd over voor allerlei andere zaken of... om te zoeken naar andere juweeltjes in boekvorm!
Er werd bij ons thuis niet kwistig omgesprongen met
complimenten. Dat strookte met de huiselijke credo's 'niet opvallen' en 'niet stoefen'
(opscheppen). Gecombineerd met een aangeboren bescheidenheid leidde dit ertoe
dat ik nooit goed overweg heb gekund met complimentjes. "Ach, zo bijzonder is dat niet,
hoor." Als ik het niet zeg, dan denk ik het wel. Hebt u de neiging om
aan elke bezoeker die een presentje meebrengt te zeggen dat ze dat echt niet
hadden moeten doen? Hoe onbeleefd van u... en van mij want ik doe het ook,
alsof ik me schuldig voel hem of haar uitgenodigd te hebben. Terwijl ik zelf
natuurlijk nergens met lege handen toekom én terwijl ik eigenlijk heel blij ben
met de bloemen of het flesje wijn.
Complimentjes geven, daarin ben ik daarentegen altijd een
kei geweest. Geen valse, stroperige mouwfrotterij, neen, het gemeende
gelukwensen of prijzen. Waarom zou ik een collega of iemand die vóór me staat
aan de kassa niet complimenteren met die prachtige rok of dat magnifiek halssnoer?
De kans is klein tot onbestaande dat ze die zelf gemaakt heeft, maar toch vind
ik zo'n complimentje gepast. Ik prijs haar immers voor haar keuze, ik bevestig haar goede smaak, hoe subjectief dat ook moge zijn. Altijd verschijnt er dan een glimlach en volgt er
een dankjewel. Natuurlijk ben ik niet op missie om ieders dag goed te maken en
loop ik niet met een bomvolle tas complimentjes rond die tegen de avond leeg
moet zijn, maar u begrijpt waar ik naartoe wil.
Of misschien ook niet... want ik wou het over een ander
soort complimentjes en cadeautjes hebben. Die waarbij je je echt geen houding
weet te geven of die je ronduit liever niet krijgt. Toen ik dertig werd kreeg
ik van mijn tien jaar jongere zus een pot antirimpelcrème en een tube tegen
oogwallen cadeau. Ik bekeek het attente geschenk met een mengeling van ongeloof
en afgrijzen, vooral omdat ik snel doorhad dat het niet als grap bedoeld was.
Van een dierbare vriendin kreeg ik ooit een mysterieus cadeau. Om uw fantasie
voldoende speelruimte te laten, geef ik hier geen nadere beschrijving. Ik
reageerde enthousiast: "Dát is iets speciaal! Wat is het eigenlijk?"
En vriendin, al even enthousiast: "Ha, dat weet ik niet! Maar ik zag het
staan in een winkel en ik dacht dat het echt iets voor jou was!" Vriendin
gaf mij dus een apart geformuleerd compliment voor mijn vindingrijkheid, voor
mijn verbeeldingskracht!
Onlangs mailde iemand mij de vleiende opmerking dat hij dacht
dat ik iets heel intellectueels en gestudeerds deed op een universiteit "toch
wel professor of zo, en nu blijk je een bankemployee te zijn". Snif,
sorry, ik ben inderdaad maar een simpele duif. Helpt het mijn imago een beetje
uit het slop als ik zeg dat er wel gigantische bedragen langs mijn toetsen
passeren?
Overigens wil ik u als afsluiter nog de raad geven
toch niet al te kwistig om te springen met complimentjes en alleen gemeende
flatterende opmerkingen te maken. U dient er immers rekening mee te houden dat
de 'schitterende' vaas waarmee u uw vrienden onlangs complimenteerde (maar die
u eigenlijk een wangedrocht vindt) misschien straks uw eigen dressoir zal
sieren. Want welk passender cadeau dan een identieke vaas kunnen zij meebrengen
als ze volgende week bij u op bezoek komen?
Op vraag van voorzitter Marc De Turck gaf ik afgelopen zondag een korte voordracht tijdens de algemene vergadering van de Cultuurraad van Ronse. De bijeenkomst ging door in het sportcentrum Rosco. De meer dan honderd aanwezigen werden bij aankomst vergast op verse koffie of warme chocolademelk, op lekkere boterkoeken, croissants en chocoladebroodjes. Ook de nieuwe inwoners van Ronse waren uitgenodigd zodat zij konden kennismaken met de diverse werkgroepen en de tachtig (!) verenigingen die Ronse rijk is. Na dit gezellig ontbijt, dat in mijn ogen veel weg had van een familiereünie (men viel elkaar in de armen, er werd gekust en van ver gezwaaid), opende Joris Vandenhoucke, schepen van cultuur, de vergadering... in het Ronsisch. Men wil het gebruik van het dialect in Ronse aanzwengelen. Persoonlijk juich ik dat toe. Hoewel een goede beheersing van de standaardtaal noodzakelijk is, zou ik het jammer vinden als op termijn de streektalen zouden verdwijnen. Maar ik pleit schuldig... ook mijn kinderen kennen het dialect van mijn jeugd niet meer. Wij spreken thuis een soort "gekuist dialect" (of V.A.N.? Verloederd Algemeen Nederlands?). Toen ik jaren geleden tijdens een wandeling opmerkte dat het "toch wel nen vriejen schuûnen buûm" was, die we passeerden, vroeg Silke wat "nen buûm" wel mocht zijn. Schande, mijn bloedeigen dochter "die giênen buûm van nen struik kost onderschieën". En "'t ges rond den buûm" kende ze natuurlijk ook niet. Misschien moet ik af en toe een dagje dialect inlassen.
Maar ik dwaal af. De schepen deed zijn best, hoewel hij toegaf uit noodzaak de Ronsische "dictionnaire" geraadpleegd te hebben. Daarna was het woord aan de voorzitter, en één na één stelden de diverse werkgroepen zichzelf voor. Zelf vond ik de uitleg van de werkgroep Beiaard de boeiendste en ik nam mij voor om zeker naar één van de beiaardconcerten te gaan luisteren. Nadat de werkgroep Gedichtendag een woordje uitleg had gegeven over hun werking, mocht ik mijn ding doen. Eerlijk gezegd ben ik nog nooit op zulke uitbundige manier en met zulke superlatieven aangekondigd (waarvoor dank!) Gezien er meermaals op het spreken van het dialect was teruggekomen, bracht ik onder andere "Van de reëne in de soepe" ten gehore en het winnend Gedicht van de Stad Ronse 2010.
Na de werkgroepen kregen ook de geïnteresseerde verenigingen de mogelijkheid zich kort voor te stellen, waarna de voormiddag werd afgesloten met een verzorgde receptie. Ik zag de verantwoordelijken van De Vrolijke Kring terug, maakte kennis met de dames van vereniging Markant en vatte samen met Cathérine Van Ongevalle het ludieke plan op om nóg een nieuwe vereniging op te richten, nl. die van de ex-winnaars van de poëziewedstrijd van Ronse (Cathérine won deze prijs in 2004).
Op de prijsuitreiking van de poëziewedstrijd van Ronse (gedichtendag 2010) kwam ik in gesprek met Marleen Van Der Poten, één van de verantwoordelijken voor de groep cultuur van De Vrolijke Kring uit Ronse, een vereniging waar armen het woord nemen. We spraken af dat ik voor de kinderen uit De Vrolijke Kring een gorgelvoordracht zou geven. Vorige woensdag was het zover. Ik werd heel hartelijk ontvangen met een kus, vers gezette koffie en zelfgebakken koekjes.
Nadat iedereen een plaatsje gekregen had aan de lange tafel, begon ik met een klein woordje uitleg over wat een gorgelrijm nu precies is. Dan las ik het allereerste gorgelrijm voor, De blauwbilgorgel van Cees Buddingh'. Na deze opwarming ging ik van start met mijn eigen gorgelrijmen. Ik las eerst de tekst voor en gaf dan de gezongen versie ten beste. Snoevedorus, De knast, Willie de urk, De vonzigaard,..., ze passeerden allemaal de revue, ook de allerjongste telg uit de familie gorgelrijmen, De koeliebrom, geschreven naar aanleiding van mijn bezoek aan De Vrolijke Kring.
Het werd leuk, zeker toen ik de tekst van De griespardot en Het groenpoepkuiken, die ik op een enorm groot blad papier had geschreven, omhoog hing. Op die manier konden we allemaal samen zingen (ja, ook de vele volwassenen!) Toen de kinderen een tekening maakten over hun favoriete gorgel (waaronder - natuurlijk - de griespardot), deed ik het tweede deel van mijn voordracht, de ernstige gedichten voor het volwassen publiek. Na afloop was er nog ruimschoots tijd om te antwoorden op de vele vragen en om gewoon even te babbelen bij een kopje koffie. Toen ik vertrok kreeg ik een mooie tekening cadeau én een doos met die lekkere koekjes!
Een tijdje geleden kwamen mijn man en ik op een avond van een receptie, in het centrum van Ronse. Het was rond middernacht, midden in de week, en er liepen derhalve weinig mensen op straat. We waren op weg naar onze wagen toen plots een auto met Franse nummerplaat kwam aangereden en vlak bij ons stopte. De man, een allochtoon, opende het raampje aan de passagierskant en vroeg in het Frans of we de weg wisten naar Gent. Nog voor we de tijd hadden om na te denken hoe we hem dat gingen uitleggen, was hij al uit de auto gesprongen en stond hij bij ons op het trottoir. We waren onmiddellijk op onze hoede. Het besef dat wij daar in een verlaten stadscentrum met een ons onbekende man te doen hadden die letterlijk toenadering zocht (hij stond geen halve meter van ons), maakte dat we niet veel zin hadden in “socializen”. Ik dacht: als hij één poot uitsteekt, gil ik de ganse buurt bij elkaar.
De man zelf was zich van geen kwaad bewust, vertelde ons dat hij op weg was naar Gent, “chez son cousin”, en dat hij zo bang was geweest. Hij was een hele tijd gevolgd door een auto, “Pas par la police, je vous jure!”, die hem had proberen klemrijden. Hij had de auto uiteindelijk kunnen afschudden door in het centrum kriskras rond te rijden en nu was hij verdwaald in Ronse. Oh, wat had hij een schrik gehad. “Sentez monsieur, mon coeur!” en hij nam de hand van mijn echtgenoot en legde die op zijn eigen borstkas. Toen liet ik alle achterdocht varen, ik zag dat die man écht bang was geweest en dat hij nog steeds totaal van streek was door hetgeen hem was overkomen. Ik stelde voor dat hij ons eerst naar onze auto liet gaan, wij dan langs hem zouden passeren, hij ons kon volgen en dat we hem wel naar Gent zouden loodsen. We zouden Ronse uit rijden en daarna de N60 volgen. Ik legde hem uit dat wij op een bepaald moment rechts zouden afslaan en dat hij gewoon almaar rechtdoor moest blijven rijden, tot in Gent. “Vraiment? Vous allez m'aider? Vous n'allez pas partir? Elle est où, votre voiture?” Ik toonde hem waar onze auto stond en dat hij op ons kon rekenen. Hij bedankte ons al op voorhand, zei dat het zo vriendelijk was. Hij vroeg onze beide namen, wenste ons alle geluk toe en had hij gedurfd, hij knuffelde ons allebei!
Okee, zo afgesproken. We stapten naar onze auto en reden traagjes voorbij de geparkeerde auto van de man, om hem de tijd te geven ons te volgen. Zo reden we Ronse uit en kwamen we op de N60 terecht. Een beetje voor we moesten afslaan, deden we onze vier knipperlichten gaan, zoals we hadden afgesproken. Wij vertraagden om af te slaan en de man flashte met zijn verstralers, reed ons voorbij, stak zijn vier knipperlichten eveneens aan, knipperde naar links, dan naar rechts, ... We zagen zijn autolichten dansen in de verte, alsof ook de auto blij was de juiste weg gevonden te hebben.
Vreemd... hoe schrik en achterdocht je denken en handelen kunnen dicteren. Omwille van deze gevoelens was de man verdwaald geraakt en dachten wij met een overvaller te doen te hebben. Alleen de slechte gebeurtenissen komen in het nieuws: Fransman klemgereden in het centrum van Ronse, beroofd en voor dood achtergelaten, of nog: allochtoon steekt rond middernacht een echtpaar neer en gaat er met hun geparkeerde wagen vandoor, terwijl hij een eerder gestolen wagen op de plaats van het misdrijf achterlaat. Maar dat een bange vreemdeling door een echtpaar geholpen werd en dat zij door hém werden aangespoord om het goede te zien in onbekenden, al is het donker en staan ze in een verlaten stad, dat lees je niet in de krant en dat hoor je niet op TV.
nog kind was ik toen ik reeds mijn schouder leende aan haar die mij het leven gaf jonge benen zijn zo sterk ze droegen wat de liefde in haar zakdoeken beweende
maar we hadden ook plezier en van dat lachen werd ik groot tot het moment waarop de dood haar op zijn lijst heeft gezet
boeken moesten het tij proberen keren passages waarin men niet stierf maar leefde, werden mijn gebed wij gingen als zovelen een ommegang langs dokters om de woekering te bezweren
sindsdien als onrecht mij de adem neemt kwaadheid als een toorts ontvlamt slaat weer mijn moeders laatste uur waarin zij mijn onmacht zalft
De prachtige tekening "Spring Fairy" van de Amerikaanse tekenares Ruth Sanderson inspireerde mij tot het schrijven van het gedicht "La primavera". Ruth was zo vriendelijk mij toelating te geven haar tekening op mijn twee weblogs te plaatsen. Er bestaat ook een gezongen versie van "La primavera", hier te beluisteren.
La primavera
jaloerse minnaar je verjoeg de herfst met zijn warme kleuren uit schrik dat hij me zou bekoren je huilde in kale bomen omdat ik sliep in je paleis van ijs onder je witte deken je zuchtte op plassen en beken die onder je kille adem bevroren
nu je me wakker kust, hoor ik je vragen of ik dit jaar de kristallen kroon zal dragen die op de troon naast de jouwe rust neen, en toch ben ik jouw koningin want wat geen sterveling vermoedt wij zijn voorgoed geliefden al is ons samenzijn steeds kort omwille van ons groot verschil
buiten ligt het leven stil zolang ik hier bij jou vertoef lief, ontdooi je koude armen al dat dode maakt mij droef ik wil de aarde weer verwarmen hoor je de vogels die me roepen? open de poorten, dit is mijn dag! ik strooi bloemen langs mijn pad volg mij in je laatste oogopslag
La primavera (translation)
oh jealous lover you chased autumn with his warm colours frightened that he would charm me you wept in leafless trees because I slept in your castle of ice under your white blanket you sighed on puddles and brooks that froze under your cold breath
now that you wake me with a kiss I hear you asking if this year I will wear the crystal crown that lies on the throne next to yours no, and yet I'm your beloved queen whereas no mortal soul suspects we are for ever lovers although the moments we share are rare because of everything that parts us
outside life is standing still as long as I remain with you dearest, thaw your icy arms this lifeless nature makes me sore I want to warm the earth once more d'you hear the birds that are calling? open the gates,this is my day! I'll sprinkle flowers on my way follow me at your last glance
Nee, ik verjaar niet, maar op Het Vrije Vers werden een aantal gedichten geplaatst over de iets-minder-jong-van-dagen en ik vond dat ik niet kon achterblijven. Wie graag de andere gedichten leest, klikt hier.
45
Ik ben geen drie maal zeven meer en ook geen vier maal, vijf noch zes. (Van tellen doen mijn vingers zeer, het lijkt hier wel een rekenles.)
Het is, goddank, geen zeven keer. Toch nadert dit getal en des te vlugger ieder jaar, dus leer ik sedert kort wel mindfulness.
Dat propageert het hier en nu, zo heb ik vrede met mijn bril, een grijs en ook gerimpeld “hier”.
Het “nu” dat is een déjà-vu van vorig jaar, met dat verschil: tram vijf stopt dichter dan tram vier.
ze huist in dozen door een vrachtwagen gebracht bestek en borden reeds terecht glazen in de nieuwe kast zeep en washand op de tast
de rest is nog een labyrint waar geen mens zijn weg in vindt behalve zij die de codes kent met stift geschreven op elk pak
haar kleren sprokkelt ze bijeen uit deze en gene mand ze stapelt op en af elkaar waar kan het zijn beland wat ze zo ijverig zoekt
ze toont zich naakt aan een onbekend bad terwijl ze in warme wanhoop drijft knispert het schuim als troost: die dromen heb je echt gedoosd ze komen vast wel uit
Opgewonden steekt ze de deur open: “Er zit een konijntje in onze tuin, dáár onder die struik. Zó een kleintje, gans alleen!” Ik beloof dat ik zal gaan kijken, van zodra ik klaar ben met de afwas. “Mag ik het ondertussen een wortel brengen en wat droog brood?” Wanneer ik buiten kom en me onder de besneeuwde struik buig, zie ik dat de wortel bijna net zo groot is als het pluizig bolletje dat ertegen ligt. Van knabbelen kan geen sprake zijn. “Zou het ziek zijn? Is het een wild konijntje, mama?” Omdat het zo'n plat snoetje heeft en zulke minuscule oortjes, gok ik dat het een ontsnapt tam konijntje is. Wat te doen? Ik vrees dat als we het in de vrieskou laten liggen, het morgen dood is. Dus besluit ik om het mee naar binnen te nemen.
Vijf minuten later ligt ons konijnenjong in het hooi, in een plastic box. Ik bel een bevriende dierenarts op en vraag wat en hoe. Hij raadt aan een spuit te gebruiken voor het voeren (zonder naald, zo slim zijn we wel) en melk te geven waar we koffieroom aan hebben toegevoegd omdat ze goed vet moet zijn. Silke gaat naar de apotheek en komt thuis met een spuit van 25 ml! Net niet groot genoeg om ons konijntje een bad in te laten nemen...
Silke voert het zo goed als ze kan, terwijl ik het piepkleine dier vasthou. Er wordt al gefantaseerd over later, wanneer het groot zal zijn. Misschien is het een vrouwtje voor Yoda? Of een kleine broer? En of ze een naam mogen kiezen? Ik gekscheer: “Laten we het Yeti noemen, het verschrikkelijke sneeuwkonijn.” Yeti wordt het! We laten hem achter op een zachte handdoek, dicht bij de chauffage. Al snel loopt Yeti naar een hoekje van de keuken en gaat liever bewegingloos op de koude grond liggen. We denken dat het geen kwaad kan hem vrij te laten, tot we hem plots eerst half, met spartelende achterpootjes, en nadien volledig zien verdwijnen onder een kast! Ongelooflijk, hij heeft zich door een smalle spleet gewurmd. Mijn man moet een plank uitbreken om Yeti te bevrijden. We zetten hem dan maar terug in de box (het konijn, niet de man).
Wanneer we 's avonds aan het eten zijn, schiet plots de verstraler aan in de tuin. De bewegingssensor heeft iets geregistreerd: twee lange oren rennen in de sneeuw. Verschrikt kijken we elkaar aan. Dat zal toch niet... Ach, er lopen hier wel vaker konijnen. Toch zijn we er niet gerust in. De volgende dag gaan we zoeken op internet. We vinden foto's van een jong konijntje en een jong haasje. Nadat we ze aandachtig hebben bekeken en alle uitleg hebben gelezen is er geen twijfel mogelijk: we hebben een haasje in huis gehaald. Hazenjongen liggen blijkbaar niet in een hol, maar op de vlakke grond, alleen of met twee. De hazenmoeder komt de jongen slechts één à twee keer per dag zogen. Yeti heeft – zoals veel haasjes – een klein wit vlekje bovenop zijn kopje. We besluiten dat we hem bij valavond terug zullen leggen op de plaats waar we hem vonden, in de hoop dat zijn moeder terugkomt. De dag duurt lang voor de kinderen. Wanneer Silke met Yoda in haar armen de keuken binnenkomt, lijkt hij wel een reus! Wat een kanjer, in vergelijking met “ons” babyhaasje.
Eindelijk is het halfzes. We gaan naar buiten, maken een bedje van stro en leggen Yeti erop, die aanstalten maakt om het op een lopen te zetten. Het lukt mij hem vast te houden tot hij gekalmeerd is. Wanneer ik mijn handen wegtrek, blijft hij roerloos liggen. We “haasten” ons weg en dan wordt het bang afwachten. Tijdens het avondeten kijkt Silke steeds naar buiten. Wanneer ze haar lege bord naar het aanrecht draagt, gilt ze het uit: “Oh, dáár lopen ze, alletwee! De mama en Yeti!!” In een oogwenk staat de hele familie voor het raam. Inderdaad, we zien twee silhouetten in de sneeuw: een grote langoor en een kleintje erachteraan. De moeder stopt steeds even tot het kleintje haar heeft ingehaald. Onze zoon spurt naar boven, waar zijn telescoop staat. Luttele tellen nadien roept hij: “Ik heb ze in het vizier!” We snellen de trap op en bedelen om het schouwspel te mogen gadeslaan. Met tranen in de ogen zien we om beurt hoe groot - en ondersteboven - de liefde tussen moeder en kind is, hoe er "ongehaast" in onze tuin gespeeld wordt, tot de dieren uiteindelijk het hazenpad kiezen.
Bevrijd van het schuldgevoel een baby en zijn moeder te hebben gescheiden en dankbaar dat we de hereniging met eigen ogen mochten meemaken, gaan we slapen.
Herman Grouwels stuurde mij een mailtje met drie door hem geschreven stanka's. Ik vind ze bijzonder geslaagd en ik plaats ze dan ook met veel plezier op deze weblog. Dank je wel, Herman!
Een bange giraf kwam tot een moedig besluit: ‘k steek mijn nek wel uit.
***
Mijn kip is van slag Haan Kuk ging met pensioen en Tok werd kapoen
***
Langoren weten Voor de jachthond en ‘t baasje Zijn zij het haasje
Wij zijn konijnminded. Dat komt door Yoda. Neen, niet de groene Jedi-meester maar ons dwergkonijn dat door onze zoon, die een hevige fan is van de Star Wars-saga, met die naam gedoopt werd. Yoda is pikzwart, tenzij hij in de rui is, dan komen er grijzige plukken tevoorschijn, in zijn vacht en op mijn vloer. Ook loopt hij op sokjes rond: het uiteinde van zijn pootjes is grijs. Een week voor Yoda bij ons zijn thuis vond, haalde ik een soortgenoot uit onze diepvries. Ik kan er niets aan doen, ik eet (neen át) graag konijn. Maar het idee om Luke of Prinses Leia gaar te stoven terwijl Yoda in huis rondsprong kon ik niet verkroppen. Ik weet niet meer of dat laatste konijn ons heeft gesmaakt, maar het bevroren exemplaar houden als speelkameraad voor Yoda was geen optie. Dan maar in de pot, overgoten met bier. En toen het op ons bord lag, onuitgesproken beloven dat we het écht nooit meer zouden doen.
Daar was het dan: ons lévend exemplaar. Die eerste dag plaatsten we een rechthoekige plastic schaal op de grond in de keuken. Yoda zat in het midden en veroerde niet (in die zin leek hij op de diepvriesvariant), wij zaten een meter of drie van hem vandaan. We beloerden elkaar. Daar bleef het bij, dus zetten we hem na enkele uren met schaal en al terug in zijn hok, zodat hij kon bekomen van de schrik. Dit scenario herhaalde zich de volgende dagen, met dat verschil dat hij op een bepaald moment met zijn voorpoot jes en zijn halve romp over de schaal hing... om het knabbeltje dat wij daar hadden gelegd te kunnen bereiken. Van zodra hij er zijn tanden in had gezet, verschanste hij zich terug in zijn fort. Beetje bij beetje wende hij echter aan onze aanwezigheid tot hij op een dag op verkenning trok in de keuken en later ook in de woonkamer.
Dat is ondertussen twee jaar geleden. Als ik op internet foto's zie van dwergkonijntjes, ben ik ervan overtuigd dat één van Yoda's voorouders een slippertje heeft gemaakt met een groter konijn, want al is Yoda geen Vlaamse Reus, een dwerg kun je hem ook niet noemen. En een hond evenmin. Als je hem roept én meneer heeft zin, dan komt hij aangehuppeld. Zoniet, dan draait hij gewoon zijn achterste naar je. (“Kiss my ass!”) We kochten een zwart konijnenleibandje met oranje worteltjes erop, om Yoda uit te laten in de tuin. Wisten wij veel dat zo'n leiband eerder dient om het konijn te gaan laten wandelen met zijn “baasje”, dan omgekeerd. “Kom Yoda, kom,” en ja hoor, hij komt. Kom op konijntje, doe maar wiebele, wiebele, huppel, doe maar huppele alsof... Huppele? Nee hoor, hij beslist dat hij nú gaat zitten of... dat hij gewoon terugkeert.
Toch is hij aanhankelijk, zeker tegenover onze dochter. Silke is overigens de enige die hem op eender welk moment zonder problemen kan oppakken, wat handig is wanneer hij als een volleerde Zwarte Piet pepernoten begint rond te strooien. Als zij een boek leest of aan de computer zit, dan ligt Yoda aan haar voeten. Van zodra zij rechtstaat, springt hij op als een duiveltje uit een doosje en volgt haar. Gaat ze naar het toilet of naar haar kamer, dan zit hij aan de glazen deur te wachten tot ze terugkomt. Duurt het hem wat te lang, dan gaat hij liggen, met zijn snoet naar de deur om zijn beminde te zien komen. Zit ze in de sofa, dan springt hij naast haar of waarom niet direct op schoot? Ze is zijn favoriet en hij ook wel de hare. Want Jojo, Snozzel, Giorgios, Giorgeliniarus (!), Keutelbol, Zwartzak en Flapoor zijn geen soortgenoten van Yoda, maar wel alle koosnaampjes waarmee zij hem verwent.
in zoveel brokken donker heb ik het licht nooit eerder geschopt alweer veeg ik ze met mijn voet bij- 1 tel op de tast de lagen wrevel in de breuk/vlak/ken en bedenk dat kleven een hels karwei wordt
deze keer maak ik een lamp van m+o+z+a+ï+e+k met een schakelaar (klik)
Voor meer informatie over deze (door mij bedachte) nieuwe versvorm en nog meer voorbeelden: klik op de categorie "Stanka's" in de linkerkolom.
De regels in het kort: de stanka is een persiflage op de haiku, is natuurgerelateerd (breed opgevat) en heeft een verrassend of humoristisch element, liefst in de laatste regel. Hij telt drie regels, bestaande uit 5-7-5 lettergrepen. De laatste twee regels rijmen.
*** pluimstaart eet gezond dus alleen in hoge nood wit eekhoorntjesbrood
***
drie maal kraait de haan de kippen in het gelid bij de boer aan 't spit
***
puber krokodil verlaat boos moeders moeras gaat op reis, als tas
Mindfulness. Zegt het u iets? Ik las er artikels over en dacht dat het wel iets voor mij kon zijn. Dus schreef ik me in voor een cursus. Gedurende acht weken komt een groepje stresskippen één maal per week bij elkaar, onder leiding van de Grote Afkickkip en de andere dagen maken ze een uurtje per dag vrij om te oefenen. Oefenen? Inderdaad, we krijgen huiswerk: we moeten leren leven in het hier en nu, we moeten “zijn”. Ik vind dat geen onzin, anders had ik me niet ingeschreven. Ik vind het eigenlijk zo waar, zo poepsimpel, dat ik het gevoel heb dat ik zelf de grondlegger ben van die theorie. Maar de praktijk lijkt een ander paar mouwen.
Telkens ik dergelijk artikel of een boek over dit thema las, zat ik te knikken: ja, hoor, this is it baby, this is THE way of living. Van zodra het boek uit was, werden echter ook de prachtige inzichten terzijde gelegd. Vandaar dat ik op cursus ben gegaan. Ik heb op het intakeformulier plechtig aangekruist dat ik elke dag van de acht weken zal oefenen (anders mocht ik niet deelnemen). Volgende zaterdag wil ik natuurlijk niet als een gieter afgaan als de Grote Afkickkip op haar rustige en begripvolle manier aan ons allen vraagt of we flink gemediteerd hebben.
Zondag is het niet gelukt. Megadrukke dag, feestje elders, bezoek thuis, de was en de plas en doodop in bed, met iets van een beginnend schuldgevoel. Maar, zoals ik zaterdag gehoord had: elke dag, elk momént is een nieuwe mogelijkheid, je kan steeds herbeginnen, vriendelijk tegenover jezelf. Dus stelde ik vriendelijk mijn hoop op de volgende dag.
Maandag. Half tien 's avonds. Een ineengezakte pudding beslist dat uitstel uit den boze is. Er wordt puddingsgewijs gemediteerd, basta. Onze CD/DVD-speler werd onlangs vervangen door een Blu-ray versie, dus moet het schijfje in een ander laatje dan hetgeen waar ik het laatste decennium een vertrouwensrelatie mee had opgebouwd. De natuur heeft mij stiefmoederlijk bejegend, ik ben geen nerd en heb jammer genoeg niet het excuus een beauty te zijn. Wat ik ook probeer, ik krijg het ding niet aan de praat, ondanks het gegoochel met drie afstandsbedieningen. Hop, daar schiet de televisie ongevraagd aan (ik zwéér dat hij uitstond!) en op het TV-scherm duikt een lijstje op: Track 1 – Track 2 – Track 3. Ik kies voor track 3, de bodyscan, het langste nummer: 42 minuten zaligheid waarmee ik mijn schuld van gisteren probeer in te lossen.
Daar klinken de belletjes al! Snel spring ik de zetel in, ga languit liggen en luister naar de kalmerende stem van de vrouw die mij zegt dat ik okee ben, dat alles okee is, dat niets moet, dat ik nu enkel mag zijn. Zucht... ja, zijn... ja, okee... oww... als die TV de hele tijd aan blijft staan, dan branden die letters weer in op het scherm. Foert, dan is het maar zo. Ja, ik voel mijn adem, ja, in mijn buik, ja... die letters branden in!!! Ik huppel van de zetel naar de TV om die uit te schakelen, waarop ook mijn mindful-dame prompt het hazenpad kiest. Even een andere afstandsbediening proberen? Dit knopje in? Of uit? De CD even herladen? Of moet die versterker toch op DVD en niet op CD? Een Blu-ray is toch een soort DVD? Nee? Groempf.
Hondserdanhondsmoe en kattigerdankattekoleirig kruip ik onder de dekens, mét kersenpitkussen, zónder meditatie. Ik ben helemáál niet okee! En die Blu-ray speler ook niet! En die stomme TV evenmin. Ik verfoei de buitenlandse beurs die mijn man - degene die opstandige toestellen wél getemd krijgt - heeft opgeslokt. Knarsetandend eis ik mijn CD-speler terug. Wat een gesukkel, wat ben ík een sukkel.
Eén troost: de volgende zeven zaterdagen mag ik sukkel-onder-de-sukkels zijn. En halverwege de ochtend is er pauze, met koekjes! Geloof me, het “zijn” gaat je veel beter af met een chocolaatje of koekje in de mond.
Op 28 januari nam ik deel aan de feestelijke avond georganiseerd door de werkgroep Gedichtendag van de Cultuurraad van de stad Ronse. We werden verwelkomd in een witte tent op de markt, waar we een bekertje glühwein of groentensoep aangeboden kregen. Telkens er voldoende mensen waren, werd een groepje gevormd om de poëziewandeling te starten "in, op en onder het stadhuis". In de statige inkom werden gedichten voorgedragen, in verschillende burelen (zelfs in het bureau van de burgemeester), in de gemeenteraadszaal mochten we plaatsnemen aan de lange tafel en werd er met veel verve een fabel van Jean de la Fontaine voorgelezen. Heel gedurfd: in "De hond die de maaltijd bracht aan zijn baas" werd het verbrassen van het belastinggeld door de schepenen en hun zakenvrienden op de korrel genomen! In een ander lokaal kregen we een aangrijpend toneelstukje te zien dat het drama van Sabine Dardenne en Laetitia Delhez verbeeldde. We mochten ook een kijkje nemen in het kille "cachot" waar het toepasselijke gedicht Gevangenis te horen was.
Het "streepje muziek" en bijhorend drankje ging aan de twee laatste groepen voorbij gezien de voortschrijdende tijd. Er waren immers enorm veel deelnemers, een 240-tal (men heeft op een bepaald moment de inschrijvingen moeten stopzetten). Toen we in de zaal kwamen waar de prijsuitreiking plaats zou hebben, zat deze inderdaad al goed vol. Gezien mijn nominatie kreeg ik een plaatsje vlak bij het podium. Na een verwelkomingswoord door de burgemeester, maakte kinderboekenschrijfster Brigitte Minne op een heel aparte manier de namen bekend van de winnaars in de categorie kinderen jonger dan 12 jaar: Liam Decaluwé en Ismaël Rabhioui. De winnaars in de categorie jeugd (12 tot 18 jaar) waren Jana Dupont, Wouter Persoons en Lies Cansse. Toen was het de beurt aan de categorie volwassenen. Omdat tijdens de inleiding door voorzitter Marc De Turck een regel uit één van mijn genomineerde gedichten werd geciteerd en ook het woord "druppelsgewijs" viel, begon er bij mij een belletje te rinkelen... maar nog vóór ik de kans had goed en wel te beseffen wat dat gerinkel kon betekenen werd mijn naam reeds vernoemd en werd ik op het podium gevraagd.
Uit het juryverslag:
"Hoe 'door de tijd beslagen... herinneringen' op de grens van het nu-en-latermoment weer opwellen tot breekbare onzekerheden over wat de toekomst nog kan ontvouwen. Die 'gedichte' gedachte heeft de jury weten te boeien en vrijwel unaniem - "vanuit een buikgevoel" - ervan overtuigd de inzending "Druppelsgewijs" te bekronen als Gedicht van de Stad Ronse 2010 in de categorie der volwassenen."
Ik mocht toen mijn gedicht voordragen en nadat ik vermeld had dat ik kort tevoren ook een melodie bedacht had voor dit gedicht, mocht ik het ook zingen. Omwille van de emotie klonk mijn stem wat beverig (vond ik), maar het enorme applaus overtuigde mij ervan dat het publiek het toch kon waarderen.
De andere genomineerden waren Patrick Maroye, Cyrius Deheyt en Cyriel Gladines. Alle winnende en genomineerde gedichten, alsook de in het stadhuis voorgedragen gedichten werden gepubliceerd in een fraai bundeltje dat gratis werd uitgedeeld aan alle aanwezigen en dat eveneens kan worden afgehaald op de dienst cultuur van de Stad Ronse.
Na de prijsuitreiking werd het woord gegeven aan Pjeroo Roobjee, die gedichten van Hugo Claus voordroeg, af en toe onderbroken door een stukje saxofoonmuziek van Ben Sluijs. Daarna kwam de eregast van de avond voor de microfoon te staan: Jan Decleir. Die bracht met veel overtuigingskracht een gedeelte uit de monoloog "Gilles!", eveneens van Claus. Het was een feest hem bezig te horen: wat een acteur!
Tijdens de receptie was er ruimschoots gelegenheid om kennis te maken met mensen uit de cultuurraad, om te praten over gedichten, om te bedelen om een handtekening van Jan Decleir (welke échte Vlaming kan zeggen dat hij géén fan is van Decleir?) en om.... jawel, op de foto te mogen staan met hem, terwijl ik mijn trofee in handen hield: een staande koperen plaket, met daarop de alom bekende versregel van Lucebert "alles van waarde is weerloos" en de vermelding "Ronse gedichtendag 2010".
De nacht was kort, maar de herinneringen zullen duren... al zullen ook zij een waas krijgen en "druppelsgewijs" minder scherp worden.
door de tijd beslagen krijgen herinneringen een waas zoals het lang ongebruikte glas dat achter in de kast staat
weet je nog of je zoet of bitter dronk? of het tikken van twee glazen klonk? of daarbij ogen straalden, stemmen streelden?
je slaat breekbare gedachten tegeneen en wat je toen zo zeker wist tracht je nu opnieuw te weten
elk heden heb je slechts te leen over de grens van het moment ligt het druppelsgewijs vergeten
Dit is één van mijn twee genomineerde gedichten in de wedstrijd van de Stad Ronse n.a.v. gedichtendag, met als thema "Over de grens". Om de gezongen versie te beluisteren, klik hier.
Voor meer informatie over deze nieuwe versvorm (een persiflage op de haiku): zie mijn bericht van 11 januari.
De regels in het kort: de stanka is natuurgerelateerd (breed opgevat) en heeft een verrassend of humoristisch element, liefst in de laatste regel. Hij telt drie regels, bestaande uit 5-7-5 lettergrepen. De laatste twee regels rijmen.
***
een olifant plast vijftig liter daags, dat is dus geen kattenpis
***
de kameleon ook zonder baard niet herkend als geheim agent
***
jong kroostrijk gezin moeder wil niet aan de pil sloot vol kikkerdril
Ik kreeg bericht dat allebei mijn inzendingen werden genomineerd in de gedichtenwedstrijd editie 2010 georganiseerd door de Stad Ronse. Het thema was "Over de grens", wat ook het thema is van gedichtendag dit jaar.
Op 28 januari zijn de "Muzen in de stad": om 18u30 begint een poëziewandeling "in, boven en onder het stadhuis", om 20u30 start de academische zitting waar de winnende gedichten worden bekendgemaakt. Daarna brengen Jan Decleir en Pjeroo Roobjee een gevarieerd programma, begeleid door saxofonist Ben Sluijs. Aansluitend volgt een receptie.
Indien u zelf aanwezig wenst te zijn, moet u reserveren bij de Dienst Cultuur, tel. 055/23.28.01 of op cultuur@ronse.be Deelname is 5 euro per persoon.
Aangespoord door het voorbeeld van twee dichters op Het Vrije Vers schreef ook ik een pastiche op "Gebed aan de schrijfmachine" door Gerrit Achterberg.
Gebed aan de schrijfmachine
Machine, die het lied bevat, dat aan mijn vingers moet ontvallen: vergeef hun een voor een en allen het in u aangerichte kwaad.
Mogen zij zich tot vuisten ballen en samenvouwen in gebed over uw toetsen en getallen en leren uwe blinde wet.
(Gerrit Achterberg)
Gebed aan de computer
Computer, die gedichten kent waar ík nog geen idee van heb, vergeef me dat ik tranen dep en bid dat gij een inval zendt.
Mijn vuisten slaan op uw klavier want inspiratie is ver weg en wat ik op uw toetsen leg, is slechts mijn hoofd, geen schrijfplezier.
Ik hou niet van haiku's. Ik kan begrijpen dat sommigen er wél van kunnen genieten, maar ik dus niet. Zeventien lettergreepjes waarin je je ei kwijt kan. Dat moet een héél klein eitje zijn, met een dooiertje van niets. En die eitjes hebben allemaal dezelfde kleur want elke haiku wordt verondersteld een intense natuurervaring te verwoorden. Als je die ervaring moet samenballen in drie uitgerokken gedachtestreepjes moet het inderdaad wel héél intens en compact zijn. Vandaar dat er zo vaak diezelfde geconcentreerde regendruppels in voorkomen, en bloesems, en wind, en vogeltjes... De haiku is in oorsprong een Japanse dichtvorm. Japanners hebben hun eigen taal, hun eigen schrift en een héél andere manier van communiceren, van kijken naar de dingen. Ik heb me laten wijsmaken dat vragen op zulke manier gesteld worden dat er steeds een positief antwoord mogelijk is, want een negatief antwoord is onbeleefd en dus uit den boze.
Men heeft die Japanse dichtvorm zo goed en zo kwaad als het kon naar het Nederlands “vertaald”, zodat men ook Nederlandstalige haiku's kon maken. Stel dat Japanners onze Belgische “biefstuk/friet” zouden willen vertalen. Frieten zijn te typisch Belgisch (vergelijk het met ons schrift), dus nemen ze in plaats daarvan iets Japans... eureka: rijst! En dan dat biefstuk, zo atypisch Japans (dat zou dan onze veel directere manier van communiceren kunnen voorstellen)... daar nemen ze toch gewoon vis voor? Een vis die ook in onze wateren voorkomt natuurlijk, het is immers een vertaling van ónze biefstuk/friet: de haring! Ziezo: haring/rijst, de Japanse versie van biefstuk/friet.
Persoonlijk vind ik het geen grote kunst in het Nederlands zeventien lettergreepjes ineen te knutselen die over de natuur gaan. Om me te amuseren heb ik er een persiflage van gemaakt: de stanka. De naam is ontleend aan het welriekend karakter van mijn eerste stukje dat de haiku op de humoristische korrel nam. Het is me er helemaal niet om te doen een kruistocht te beginnen tegen haiku's of hun schrijvers (elk doet zijn ding). De stanka is niet meer dan de light verse haiku.
Maar... dit lachertje heeft wél regels. De stanka is natuurgerelateerd (breed opgevat) en heeft een verrassend of humoristisch element, liefst in de laatste regel. Hij telt drie regels, bestaande uit 5-7-5 lettergrepen. De laatste twee regels rijmen.
De "oerstanka":
geurend naar lente omploegd veld op zijn paasbest na de kar met mest
Andere voorbeelden:
bij drie promille ging ze joelend uit haar dak de mug die hem stak
vader paard vermoedt dat vrouwlief hem heeft verschalkt want hun veulen balkt
waarover zwijgen we? dat waarvoor in het woordenboek van ons gevoel geen woord te vinden is? dat waarvoor we met alle woorden die ons ter beschikking staan kunnen duelleren?
wie gebruikt als eerste zijn tong voor de taal en niet om er zijn wonden mee te likken waar de stilte reeds als een pleister op ligt
A small stone for a man, a giant rock for a kidney
Ziezo, ik ben gescand, mijn streepjescode werd vanochtend ingelezen in de kliniek van Ronse. Het vermoeden bestaat dat ik weer met nierstenen zit. Dat is een oud zeer. Ik werd geboren met een afwijking die gelukkig voor mij pas werd vastgesteld toen ik al uit garantie was. Terugdragen naar de ooievaar was er voor mijn ouders niet meer bij. Jammer genoeg waren er tegen dan ook geen wisselstukken meer op de markt voor dit verouderd model en dus werd het opereren en behelpen.
Als kleuter had ik regelmatig “buikpijn” (kan ik me niet herinneren, maar het verhaal doet de ronde) en dus ging moeder met mij bij de huisarts. Die stelde vast via een wichelroede dat ik een zwak levertje had en dat men er moest op letten dat ik niet teveel chocolade, eieren, frietjes, mayonaise, kortom al wat lekker is, at. Dus lette ik mijn hele jonge leven op, maar af en toe (gemiddeld zo'n drie keer per jaar) verging ik toch van de pijn in mijn rechterzij. De pijn kwam vooral 's nachts op en altijd was er wel een oorzaak te vinden: ik had het aangedurfd twéé eieren te eten, ik had een te grote portie frieten verorberd, ik had een gans chocolade paasei naar binnen gespeeld enz. Maar soms, heel soms had ik de buikpijngoden niet getart en werd ik toch gestraft. Zo lag ik een nacht krom van de pijn omdat ik een half brikpak Minute Maid had leeggedronken (ik kijk nog steeds argwanend naar het schap waar de dozen Minute Maid staan in de supermarkt en ik koop met een veel geruster gemoed Appelsientje). Tijdens het afzwaaifeestje van mijn neef had ik blijkbaar teveel verschillende drankjes soldaat gemaakt, met een slapeloze nacht als gevolg. En na een avondje uit in Het Wit Paard in Blankenberge, waar je in plaats van entree te betalen een reuzegrote consumptie kocht ("voor mij een litertje limonade alstublieft"), deed ik ook geen oog dicht. Jongens, wat een lever had ik toch, een kurkdroge, zo één die tegen geen vet en tegen geen nattigheid kon!
Toen ik vierentwintig was, vertrouwde een collegaatje mij toe dat zij óók een “zwak levertje” had, overgehouden aan het bezoek van nonkel geelzucht. “En dus,” raadde zij me aan, “moet je véél drinken als je nog eens een crisis hebt, om je lever te zuiveren.” Tijdens een weekendje Valkenburg kreeg ik weer pijn. "Zou mijn lever geen Hollandse maaltijd verdragen?" vroeg ik me af. Ik dronk er lustig op los, een beekje water kabbelde naar mijn nieren. En de pijn? Werd almaar erger én erger... Bij thuiskomst naar mijn eigen huisdokter gestapt die wat beter bij de pinken was en de tarotkaarten in zijn schuif liet liggen voor tijdens het weekend. Hij stuurde me door voor verder onderzoek en toen werd vastgesteld dat er niets mis was met mijn lever, maar dat ik wel een afwijking had aan de rechternier : een congenitale pyelo-ureterale junctiestenose (dat staat heel chic op mijn visitekaartje), oftewel een aangeboren vernauwing tussen de nier en de urinebuis. Dat beekje water kon met andere woorden niet tijdig afgevoerd worden en een ballon kun je ook niet blijven opblazen zonder desastreuze gevolgen. Er werd dus een flinke rits gestoken in mijn rechterzij, maar ik kon tijdens mijn herstel wel naar hartenlust chocoladerepen smikkelen.
Alles bleek in orde, tot ik zwanger werd en de niercrisissen terugkwamen. Het begon met een licht, zeurend gevoel dat ik – heel verontrust - aan de gynaecoloog meldde. Die wou me eerst niet geloven: “Ge zijt geopereerd aan uw nier en alles is hersteld.” Alsof IK niet wist wat pijn aan mijn nier was! Na de eerste niercrisis, die naar goede gewoonte een uur of twaalf duurde, geloofde hij me al een beetje. Er volgden bezoekjes aan mijn dierbare vriend de uroloog, echootjes, een beetje medicatie (weinig tot niks, gezien mijn zwangerschap), het steken van een stentje omdat de niercrisissen steeds frequenter werden et voilà, na negen maanden : een gezonde baby en een uitgeputte moeder.
De eerste nierstenen werden verbrijzeld : “It's a small stone for a man, but a giant rock for a kidney.” Om een lang verhaal kort te maken: er volgden nog wat niercrisissen, nog een baby, nog twee verbrijzelingen en dan acht jaar absolute rust, in de nieren althans. In zoverre dat ik moest controleren waar mijn rits zat om te weten wat mijn “slechte kant” was. Maar nu weet ik dus ook zonder controle weer waar het niertje wringt. Er zijn erger dingen, véél erger dingen, en toen ik vanochtend door de gangen van het ziekenhuis liep, prees ik me gelukkig dat ik maar dát mankeer...
Ons kippetje Yvonne heeft ons verlaten, ze zal voortaan geen eieren meer leggen. Zo'n pluimenbos, daar viel niet mee te praten, behalve “tok” wist zij niet veel te zeggen.
Een beetje dom of enkel braaf, gedwee? De underdog, al heeft ze nooit geblaft. De bazige, de felste van de twee (Yvette dus) heeft haar meermaals afgestraft.
Yvonne, zij kreeg een grafje bij de ren waar nu per dag één eitje valt te rapen. 't Is slechts een kip waardoor ik treurig ben, waardoor zoonlief vannacht niet in kon slapen.
Maar in de hemel vieren ze nu feest: het is al lang geen kip aan 't spit geweest...
Terwijl men je op allerhande gedichtensites met poëtische nieuwjaarswensen van de sokken slaat, moet ik in gebreke blijven. Ik kan dat niet. Ik kan geen mooi verpakte wensen uit mijn mouw schudden en evenmin uit mijn toetsenbord. Daar waar vrienden en kennissen wellicht verwachten iets origineels, of op zijn minst ongewoons, op mijn nieuwjaarskaartjes aan te treffen, staan daar – o schande - meestal slechts de standaard formules en daaronder de namen van onze gezinsleden. Dit jaar vond ik het zelfs ongepast de voorgedrukte wensen nog eens over te schrijven, alsof ik er anders vanuit ging dat al wie bevoorrecht is één van onze kaartjes te mogen ontvangen de voorkant van het hem toebestemde exemplaar niet eens had bekeken.
Nochtans heb ik op zich niets tegen nieuwjaarsgedichten, er bestaan echt wel smakelijke exemplaren, vooral als ze met een humoristisch sausje overgoten zijn. Veelal worden dezelfde ingrediënten gebruikt: het afsteken van vuurwerk (vooral in Nederlandse gedichten populair), stoppen met roken, diëten, niet meer roddelen, vriendschap, Liefde-met-hoofdletter, kortom: genieten van het leven zonder de excessen.
Welnu... ik wens iedereen hetzelfde, zonder het exces van een poëtische doos errond en een glanzende cliché strik.
Maar... om u niet op uw dichterlijke honger te laten zitten, volgt hier als afsluiter “de” haiku, werkelijk een uniek exemplaar want het is de enige die ik ooit zal schrijven (waarover later meer). Geïnspireerd door oudejaarsnacht:
Gisteren een dagje geopenbaarvervoe..., opengebaard verv..., opgebaard vervoerd. We startten blij- en vooral warmgemutst in het station van Oudenaarde, alwaar we onze trouwe vierwieler op de parking achterlieten. We boemelden tot in Gent Sint-Pieters, het eindstation van onze eerste treinreis. Er zit niet veel systeem in het omroepen van het eerstvolgend station waar halt gehouden wordt. Nu eens wel, dan weer niet, maar het eindstation wordt hoe dan ook afgeroepen. Dat ontlokte mij een aantal weken geleden - als enige - een schaterlach. “Dames en heren, we komen aan in Gent Sint-Pieters.” Vijf seconden radiostilte. “Het station” werd er plots nog aan toegevoegd...
”De trein is altijd een beetje reizen,” volgens de NMBS. En altijd een beetje verrassend! Ons vervoermiddel naar het kuststation Knokke had twintig minuten vertraging. Toen het kwam aangekropen werd er omgeroepen dat de reizigers voor Knokke in het eerste deel van de trein moesten plaatsnemen, de reizigers voor Blankenberge in het laatste deel (in Brugge werd de trein in twee gesplitst). Ik grapte nog: “Hoe weten we waar het eerste deel eindigt?” en: “Wat doen ze met de reizigers in de middelste wagon?” De trein was óvervol, ook de gangpaden. Alle Belgen naar zee! Toen we een tijdje aan het bollen waren, kwamen we via medepassagiers te weten dat de héle trein naar Blankenberge reed, dat was in Hasselt (!) reeds aangekondigd. Luttele minuten later werd ons via het omroepsysteem inderdaad meegedeeld dat reizigers voor Knokke “desgewenst konden meerijden tot Blankenberge en daar de kusttram konden nemen”. Dat wist men dus wél al in Limburg en nog niet in Gent? Na de trein dus de kusttram (veel tram, weinig kust want het is allesbehalve een mooi traject) en in Knokke ook nog de bus naar het Zwin. Grote affiches “HET ZWIN IN DE WINTER”... maar geen bus die er in de winter naartoe rijdt. We reden mee tot het eindpunt en deden de rest te voet. Het zwin is – naar mijn gevoel – te plat om echt móói te zijn. Ik hou van heuvels, niets aan te doen. Dus gingen we naar de verlaten duinen voorbij het Zoute : práchtig! Zeker in het winterse zonlicht.
Na een lange strandwandeling terug de bus naar Knokke genomen waar de kinderen een uurtje konden schaatsen op de ijspiste terwijl mijn man en ik het glühweinstalletje leegdronken. Daarna een portie friet-met-mayonaise-én-stoofvleessaus. “C'est du chocolat qu'on met dessus?” vroeg een Franstalige man mij – met een grote glimlach op de lippen. “Oui, du chocolat chaud! Vous devez l'essayer, c'est bon,” antwoordde ik. Knokke, Het Zoute, men slaat je met Frans om de Nederlandstalige oren alsof dat deel van de kust aan Frankrijk grenst, terwijl het het meest noordelijk deel is van de Belgische kust! Ik heb niets tegen Frans (ik studeerde romaanse filologie), maar ik heb er wel een hekel aan als men je niet (óók) in het Nederlands kan te woord staan. Dit overkwam een collega van mijn echtgenoot toen die in een ijssalon in Knokke zijn ijscoupe enkel in het Frans kon bestellen. Sorry, dan zou ik groen uitslaan. (“Une coupe pistache!”)
De terugreis verliep zonder problemen, we haalden zelfs onze aansluiting in Gent ondanks de kleine vertraging van onze trein uit Knokke. (“Welke trein moeten we hier hebben, mama?” “Dé trein Yente.” “Maar van welk perron?” “Van hét perron, er vertrekt hier maar één trein uit Knokke.”)
Onderstaand niemendalletje schreef ik een jaar of zeven geleden:
Een dag aan zee geeft veel plezier: een koffie drinken op de pier, een lange wandeling op 't strand en tussen tenen kriebelt zand...
Oh néé! Het moet wel winter zijn! Dán vind ik 't zeetje reuzefijn. Geen blote lijven, geen gesmeer, maar rust en stilte des te meer.
Bottienen, wanten, muts en sjaal, een rooie neus, 't mag allemaal. En als de vrieszon 't zeetje raakt dan is míjn dagje strand volmaakt.
Hohohoo... Kerst zit er weer (bijna) op. Nu nog oudejaarsavond overleven. Vorige week zijn we enkele dagen naar Center Parcs geweest: Het Heijderbos, in Nederland. Het contrast kon niet groter zijn: met onze warme jassen, mutsen en handschoenen aan door de dikke laag sneeuw naar de "Jungle Dome", waar we de ganse bepakking achterlieten in kastjes. De kinderen trokken hun trui uit, korte broek aan en liepen dan in T-shirt in een nepjungle, met nepregen, hangbruggen, klauterparcours, trommels, nep Afrikaanse tronen, nepmaskers, nepwatervallen enz. Maar wel de grootste, prachtigste en échtste nepperdannep die ik ooit zag! Behalve de jungle, stond natuurlijk ook het subtropisch zwemparadijs op ons programma. Alleen heet dat tegenwoordig de "Aqua Dome", wat groter en belangrijker klinkt. Gelukkig voor mij waren daar ook "hot whirl pools". Niet dat ik zo graag als een soepkip gaar zit te koken in een pot bubbelend chloorwater, maar het deed wel enorm deugd aan mijn pijnlijke rug en schouder. Natuurlijk geneest een ontstoken spier daar niet van, dus kwam ik eenmaal terug thuis onder de infraroodlamp en aan de fluorescerende oranje pillen te zitten. Gezellig, op kerstavond, de lampen gedimd... de kindertjes rond hun oplichtende moeder...
Wie er nog over twijfelt om mijn bundel te kopen: tot 31 december loopt er een actie bij Unibook waardoor je een euro korting krijgt per bestelling.
Als je zou bestellen... neem er dan ook de gloednieuwe bundel 'Oude nozem' bij van Daan de Ligt. Daan heeft inmiddels een bepaalde reputatie opgebouwd met het schrijven van light verse, in zijn vijfde dichtbundel komt dit genre echter niet voor. Met 'Oude nozem' wil de dichter ook eens zijn andere kant belichten. Daans eerste bundel 'Vijftig' verscheen in 2003 en kwam in het bezit van de redactie van de Haagsche Courant (thans AD Haagsche Courant), sindsdien verschijnt er vrijwel wekelijks een gedicht van hem in die krant. Ook de gedichten die in 'Oude nozem' zijn opgenomen verschenen vaak al eerder in de Haagsche Courant (thans AD Haagsche Courant). Daan de Ligt heeft een duidelijke voorkeur voor sonnetten, in deze bundel zijn derhalve veel sonnetten opgenomen.
Geschreven door Paul Ilegems zondag, 13 december 2009 13:04
Glühwein- en kruidengeur! Dàt wordt de colbolprijs! Mooie collage En prettig qua stof
Nu nog de naam van de Overgelukkige: Vera De Brauwer! Verdiend hoor! En of!
Maar ook Van Velzen plakt Allervoortreffelijkst En Van den Born dan! Je voelt dat: een prof!
Zodat ook zij met de Frietkoterijverzen Worden bedacht (Alsook wierook en lof)
Wat heb ik gewonnen? "De nooit herdrukte en volstrekt onvindbare bundel ‘Frieten bakken’ van Paul Ilegems uit 1981." Dankzij de kakelverse eitjes van ons Yvonne en ons Yvette maak ik de smakelijkste mayonaise voor erbij...
wat weet je van de hoogte als je het dal niet kunt benoemen tenzij dan met een woord als “dal” dat niet verraadt hoe diep ik val als ik me met één stap vergis al wat was en wat nog is geen behouden tocht verzekert naar wat komt
een dal is soms een poel stilstaand, stinkend wier dat het gevoel verstrikt, verstikt
een dal is ook een grot snijdende wanden echo van knarsende tanden gangen zonder einde
een dal is zélfs een berg zo hoog dat ik de grond niet zie mist mijn keel dichtknijpt tot ik ijl, wankel en
Eens je je een tijdje over het collagebolleke hebt gebogen, lees je de reclamefolders met andere ogen: steeds speurend naar zeslettergrepige woorden... En dan komt er het volgende uit de bus.
"Tijden veranderen"
(klik op de foto om de tekst beter te kunnen lezen)
Op "Het vrije vers" loopt er een wedstrijd rond het "collagebolleke": dit is een knip- en plakversie van het Ollekebolleke, een ludieke versvorm, onlosmakelijk verbonden met de naam van Drs. P. Op de site vind je alle informatie over het ollekebolleke. Klik hier. Als je het reglement van de wedstrijd wil kennen klik je hier.
Natuurlijk jeukten mijn vingers en dus ging ik naarstig op zoek naar zeslettergrepige woorden. Ik stuurde vier colbollekes in. Hier is er eentje in kerstsfeer. Ik loop overigens al weken in kerstsfeer: ik heb al een kerstgorgelrijm geschreven, mijn kerstkaarten heb ik drie weken geleden reeds gekocht (!) en gisteren heb ik gereserveerd voor Oudejaarsavond. Ho-ho-hooo
Herinnert u zich nog het schitterende satirische televisieprogramma “Alles kan beter” van eind de jaren negentig (Canvas - VRT)? Daarin werden afleveringen van het journaal en televisieprogramma's onder de loep genomen. De onbedoeld grappige situaties, flaters, versprekingen, taalfouten enz. werden eruit gedistilleerd, waarna een panel onder leiding van Marc Uytterhoeven een “verbeterde”, lachwekkende versie van de uitgekozen scènes bracht. Het panel bestond uit Guy Mortier, Rob Vanoudenhoven en een gast. Waarom vertel ik dit? Omdat ik tijdens het lezen van de juryverslagen van de Nieuwegeinse Literatuurprijs 2009 (met name die van de categorie poëzie) hieraan moest denken. Neen, dit wordt absoluut geen jaloers stukje van een niet-winnaar, wel een humoristische (maar tevens kritische) kijk op wat een jury naar de buitenwereld toe als verslag presenteert, naar wat zij als uitleg geeft waarom net dít gedicht gewonnen heeft.
“Dichter X heeft op alle details gelet. Zijn assonanties zijn erg sterk en hij gebruikt mooie beelden. Deze beelden zijn niet uit de losse pols gebruikt, hij heeft er echt over nagedacht. Het enige wat je de dichter kunt verwijten is dat hij misschien wat klassiek is. “
(Ik heb met opzet de naam van de dichter weggelaten omdat het mij helemaal niet te doen is om de dichter zelf, noch om het gedicht in kwestie.)
Knikte u bij het lezen van het verwijt “te klassiek” ook stellig: “jaja... klassiek, verstaanbaar, kom zeg, voor je het weet zit er verdorie rijm in!”. Wat meer is: kunt u zich na het lezen van bovenstaand verslag een beeld vormen van hoé het winnend gedicht zou kunnen zijn, waarover het zou kunnen gaan, wat de schoonheid ervan is? Misschien lukt het beter wanneer u een verslag als het volgende leest?
“Het is een op het eerste gezicht makkelijk geschreven gedicht. Barokke beelden geven het een gedragen toon. Je waant je bijna in een fantastisch parallel universum, waarin de tijd versteent. “ (De titel van het gedicht waarop dit verslag betrekking heeft, was niet voor niets "Tijd van steen".)
Neen, neen, denk ik dan. Alles kan beter... en dus ook dit.
Nemen we daarom het gedicht “Bierton” van Tina Pils.
Bierton
klots klots klots op mijn klompen in de modder modder smots
klots klots klots naar de bierton in de tuin de tuin met ton met bier
hier
slubberslurp burp
(c) Tina Pils
Hierover kan onze Alles-kan-beter-jury het volgende zeggen:
“Pils heeft de eenheid van het gedicht niet uit het oog verloren: ze gebruikt sterke klanken die aan elkaar geklonken zijn waardoor je je bijna in een etherisch Tibetaans schaalvergrotend universum waant waar niet het glas, maar de ton de maat is voor het bier. Op het eerste, tweede en derde gezicht lijkt het gedicht wartaal, maar Pils heeft niet zomaar eender wat op het papier gegooid: zij heeft echt mooie inkt gebruikt! Werkelijk het enige wat je de dichteres kunt verwijten is misschien dat ze geen papierversnipperaar in huis had.”
Gisteren naar Nieuwegein gereden (202 km - enkel) voor de prijsuitreiking van de Nieuwegeinse literatuurprijs waarvoor ik één van de dertien genomineerden was in de categorie poëzie. Om 20u begon er een boeiende voordracht door Marieke van der Pol over haar carrière als toneelspeelster, actrice, scenarioschrijfster en nu ook romanschrijfster. Marieke vertelde met zo'n elan, zo'n enthousiasme en zo'n zin voor humor dat ik het de aangenaamste voordracht vond die ik ooit heb meegemaakt. Ze vertelde o.a. over de verschillende televisieseries waarvoor ze scenario's had geschreven (het Nederlandse publiek knikte ten teken van herkenning, mij zeiden die namen niets, maar ik ben dan ook geen televisiekijker). Het deel waarin ze sprak over de manier waarop een scenario tot stand komt, vond ik veruit het interessantst. Ik wist overigens niet dat zij het was die het boek "De Tweeling" van Tessa de Loo had bewerkt tot scenario. Het verhaal over haar reis naar Los Angeles om daar de uitreiking van de oscars bij te wonen (De Tweeling was genomineerd als beste buitenlandse film) was ronduit hilarisch. Ik huilde van het lachen en dat is me nog niet vaak overkomen. Ze vertelde ook in detail over haar roman "Bruidsvlucht", die eigenlijk een "verboeking" is (ze vindt dat een heel lelijk woord) van haar eigen scenario over de "Last Great Air Race" in 1953, die werd gewonnen door Nederland met een omgebouwd vrachtvliegtuig vol Nederlandse jonge meisjes die naar Australië emigreerden. Hun verloofdes waren ginder reeds een tijd tevoren toegekomen om te zoeken naar werk en een woonst. Marieke vertelde ons over haar opzoekingswerk, haar interviews met nog levende bruiden en haar zoektocht naar een centraal thema voor de film en haar boek.
Na een uur was het tijd voor de prijsuitreiking die lichtjes chaotisch verliep. “Vergane glorie” van Wilma Hollander werd de winnaar in de categorie proza. Diezelfde eer viel te beurt aan “Het perspectief” van Inge Boulonois in de categorie poëzie. De juryvoorzitter van de categorie poëzie begon verkeerdelijk met het voorlezen van het algemeen verslag van de categorie proza, maar ging toen liever zijn eigen tekst halen. De juryverslagen van de twee eervolle vermeldingen in deze categorie werden eventjes omgewisseld, maar ook weer rechtgezet. Toen de prijsuitreiking was afgelopen werden de twee overblijvende boeketten dan toch nog overhandigd aan de eervolle vermelding en de “aanmoedigingsvermelding” in de categorie proza en dan was het pauze. Onder het genot van een (betalend) drankje konden we “socializen” zoals dat heet. Ik had een leuk gesprek met landgenoot Paul Vincent (eervolle vermelding voor zijn gedicht “Bestemming”) en zijn vrouw. Paul won de tweede prijs in de wedstrijd “Dorpsdichter Doel 2009-2010” en loopt ook met het idee rond een uitgave in eigen beheer te doen.
Na de pauze werden het winnend verhaal en het winnend gedicht voorgelezen (geen eervolle vermeldingen, laat staan nominaties). Daarna werd de microfoon terug aan Marieke van der Pol gegeven (die door de presentator even werd omgedoopt tot Marieke Polman) die antwoordde op vragen uit het (ondertussen gehalveerde) publiek.
Ik kan niet nalaten even een vergelijking te maken met een doorsnee prijsuitreiking van een poëziewedstrijd in Vlaanderen. Daar krijgen (uitzonderingen daar gelaten) alle genomineerden een bundel met de genomineerde en winnende gedichten en wordt er bij afloop aan alle aanwezigen een receptie aangeboden met drankjes en knabbeltjes. Zijn dat dan “uitspattingen” typisch voor de “Bourgondische Vlamingen” zoals onze Noorderburen ons graag noemen?
Aan het ontvangen van de "award" (zie hieronder) is blijkbaar een voorwaarde verbonden: het verschaffen van tien weetjes over jezelf. Hoewel Jaclien dit graag in dichtvorm had gelezen, wordt het toch proza. Sorry Jaclien.
1. Dit jaar vierde ik mijn twintigjarig huwelijksjubileum. Mijn man en ik hebben twee kinderen: een dochter van dertien (Silke) en een zoon van tien (Yente). Als vijfde huisgenoot hebben we een zwart dwergkonijn , Yoda, genoemd naar de groene Jedi-meester in de Star Wars films waar Yente verzot op is.
2. Ik ben gek op chocolade. Correctie: ik ben verslaafd aan chocolade, zowel melk als puur. Het allerbeste merk is volgens mij Côte d'or, daar kan niets anders aan tippen. Ooit ben ik op een nacht opgestaan met een enorme trek in chocola. Ik had er echter geen in huis en toen heb ik van elk koekje in een pak telkens de twee uiteinden opgegeten omdat die in de chocolade gedoopt waren. Op reis in Engeland kocht ik chocolade van een of ander merk waarvan op de verpakking stond "By appointment to her majesty the Queen". Ik kan u verzekeren dat de Engelse koningin totaal géén smaak heeft als het op chocolade aankomt! Tegenwoordig neem ik mijn portie Côte d'or mee op reis om zeker te zijn dat ik ginds geen ontwenningsverschijnselen krijg.
3. Mijn favoriete roman is "Marcel" van Erwin Mortier. Dit is de schitterendste literatuur die ik ooit las. Het lijkt wel of er op elke pagina een gedicht staat en toch blijft het proza. Ook "Mijn tweede huid" van dezelfde auteur is prachtig. Mijn favoriete dichtbundel is "Verzamel de liefde" van Bart Moeyaert wat betreft de vrije verzen en het verzamelde werk van Jean Pierre Rawie wat betreft de vormvaste verzen. De film die ik al het vaakst bekeken heb en die ik graag nog eens wil zien: "Out of Africa" met Robert Redford en Meryl Streep. Hij stamt uit 1985, ik vind hem een klassieker. Op de tweede plaats staat het melige, vol clichés zittende "Pretty woman" met Richard Gere en Julia Roberts. Zalig romantisch...
4. De orchidee is mijn lievelingsbloem. Het is een heel dankbare bloem, vraagt weinig verzorging, kent vaak een héél uitbundige en langdurige bloei en gaat jaren mee mits na de bloei gesnoeid. De "V" met krulletjes eraan die in de paarse orchidee verwerkt is (staat op de cover van mijn bundel Verzinnen en is een beetje mijn handelsmerk op diverse poëziesites) is een door mij ontworpen tatoeage. En ja... ze werd wel degelijk geplaatst!
5. Ik heb vorig weekend een fiets gekocht. Een witte, zodat men mij goed op de weg ziet zwabberen want ik zit niet zo vast in het zadel. Ik reed nog steeds (zij het sporadisch) op de fiets die ik voor mijn plechtige communie gekregen had, die is dus STOKoud! Mijn huisgenoten hopen dat ze mij nu sneller kunnen aanporren om met hen te gaan fietsen. Het eerste tochtje in onze heuvelachtige Vlaamse Ardennen zit erop: die 21 versnellingen zijn geen overbodige luxe, evenmin als de schokdempers op het voorwiel wanneer je over de kasseien de-de-de-dendert.
6. Mijn eerste gedichten schreef ik toen een jaar of veertien was. Toen ik zestien was, vroeg ik aan mijn lerares Frans of ik het opstel dat we als opdracht kregen ook in dichtvorm mocht schrijven. De opgegeven titel was: "La vie ne vaut peut-être rien mais rien ne vaut la vie." Ik herinner me dat ze als opmerking op het blad schreef dat ik wellicht veel betere punten had behaald (ik geloof dat ik een zeven kreeg) indien ik dezelfde standpunten in een regulier opstel had uiteengezet. Eén van mijn (weinige) gedichten uit die periode werd destijds gepubliceerd in het nummer van Yang met als thema "De stad".
7. Ik was vroeger nogal "breedschrijverig". De lerares Nederlands gaf in het laatste jaar een opdracht voor een verhandeling: die moest minimum x aantal regels beslaan. Ze voegde er lachend aan toe: "En voor Vera, maximum x aantal bladzijden." Ik heb tijdens mijn leven al een paar duizend brieven en mails geschreven. Een goed leesbare met de hand geschreven brief, opgesteld in zorgvuldige bewoordingen, vind ik nog steeds de meest bijzondere vorm van communicatie.
8. Mijn favoriete reisbestemming is "de bergen", eender waar, liefst tijdens de zomer. Hoe hoger en hoe verlatener, hoe liever. Ondanks de (relatieve) drukte hou ik ook van Tirol. Schotland is veel ruiger, daar wil ik zeker naar teruggaan en dan zeker naar Glencoe en Glen Etive. Een strandvakantie is aan mij niet besteed. Ik hou wel van strandwandelingen, maar dan tijdens de herfst of de winter, met een muts op en sjaal aan en goed gesloten schoenen zodat er geen zand tussen mijn tenen komt!
9. Ik heb een hekel aan gevaarlijke chauffeurs. Tegenwoordig rijden de meesten alsof ze op weg zijn naar het ziekenhuis waar hen met hoogdringendheid een levensnoodzakelijk serum moet worden toegediend. Rechts inhalen, vóór een andere wagen "springen" net voor een rond punt, geen richtingaanwijzers gebruiken, overdreven snelheid, bumperkleven, inhalen in onoverzichtelijke bochten, ...niets is te gek.
10. Ik had graag toneel gespeeld. Op de middelbare school deed ik dat één keer tijdens een grote "show". Ik bedacht een sketch, schreef de teksten voor de verschillende rollen, nam één van de hoofdrollen voor mijn rekening en speelde regisseur. Tijdens de grote avond verkleedde ik me na de sketch en ging tussen twee stukjes in luidkeels in de zaal "chocola mee notjes" verkopen, tot ik door de presentator (zogezegd) op de vingers werd getikt en pruilend afdroop, tot hilariteit van de hele zaal. Ik heb overigens een bekende achterneef... Chris Van den Durpel. Zijn en mijn grootmoeder waren zusters. Als ik Chris vernoem, mag ik ook zijn oudere broer Daan niet vergeten, die ik lang geleden heb zien spelen in een musical in theater Arena.
Zo is het toch een lang epistel geworden... Punt 7 is misschien nog steeds van kracht.
Blijkbaar zou er een "award" aan het rondgaan zijn op Bloggen.be. Wie de award krijgt van een medeblogger, kan hem weer doorgeven aan een ander wiens weblog hem op een of andere wijze interessant of aangenaam lijkt.
Zo kreeg ik de award van Jaclien, waarvoor hartelijk dank. Hier is de link naar de weblog van Jaclien, die zeker ook een bezoekje waard is.
Zelf geef ik de award door aan de weblog van de Landelijke Gilde in Etikhove. Ik woon in het prachtige landschap van de Vlaamse Ardennen en de Landelijke Gilde organiseert regelmatig activiteiten (voor leden en niet-leden) om deze streek beter te leren kennen en/of om het sociaal contact onder de inwoners te bevorderen.
Overigens: van harte welkom op één van "onze" activiteiten, voor alle informatie, klik hier.
Onlangs verscheen in de AD Haagsche Courant volgend sonnet van hun stadsdichter (en mijn dichtvriend) Daan de Ligt:
Advies aan Den Haag
een vrouw leeft vijf jaar langer dan een man de statistieken hebben dit bewezen nu is bij deze man het beeld gerezen dat zij ook vijf jaar langer werken kan
eureka, wat een slim doch eerlijk plan briljant, jawel, de hemel zij geprezen dus heren, tweeënzestig, stop met pezen de vrouw heeft dan nog tijd en het elan
want zij is krachtig, kan nog jaren mee en hij is op, het lijf begint te plagen hij is nu eenmaal sneller oud van dagen dus gun de stakker bier en zijn tv
kom dames, aan de slag en nee... niet klagen wie sterk is zal de zwaarste lasten dragen
Eureka? Wat een dom en lelijk plan! Briljant? Welnee! Daar moet je 'n man voor wezen, bij hem is immers nooit de vraag gerezen waaróm een vrouw veel langer leven kan.
Zij zorgt een leven lang voor kind en man, moet koken, poetsen, wassen, strijken, pezen, heeft nooit de tijd om deze krant te lezen en jíj laat haar nog langer zwoegen dan?
Geef hier dat bier en dit is míjn TV! Een voetmassage kan mij nu plezieren. Strijk jíj mijn bloes en jíj zorgt voor de dieren, straks ga ik uit en mijn vriendin gaat mee.
Die vijf jaar extra moést men ons wel schenken. Met liefde zullen we de man herdenken.
Ik kreeg vandaag het leuke nieuws dat mijn gedicht (Over)gave één van de dertien genomineerde gedichten is voor de Nieuwegeinse literatuurprijs. Tijdens de prijsuitreiking zullen de winnaar en de twee eervolle vermeldingen bekend gemaakt worden door Marieke van der Pol, auteur van Bruidsvlucht.
De prijsuitreiking vindt plaats op dinsdag 10 november, om 20 u in de bibliotheek van Nieuwegein. Hier is de volledige lijst van genomineerden.
Als ik mezelf permanent aan een infuus van kandijstroop leg, word ik misschien geen azijnpisser. Af en toe een suikerklontje extra met enkele druppels Eau des Carmes om me alert te houden, zoals vierendertig jaar geleden, toen Zuster Directrice me bij mijn positieven bracht met de ongekende smaak van alcohol en kruiden.
Of ik neem het héle flesje bijgeloof om mijn religie van de angst te verdoven, de wonden te ontsmetten, veroorzaakt door alle enterhaken. Qu'en pensez-vous, monsieur Proust, l'odeur et le goût de l'Eau de mélisse des Carmes... als doekje voor het bloeden, kan ik er ook mijn lekkend geheugen mee betten? Er is zoveel waarvan ik niet meer weet dat ik het vergeten ben.
Gisteren dus naar Antwerpen gespoord, omwille van de eigen voordracht op Lamberzinne én het bezoek aan andere podia van Zuiderzinnen. Als er 26 plaatsen zijn waar diverse schrijvers en zangers te beluisteren zijn, dringt een keuze zich op. Die van mij: eerst op het zonovergoten Lambermontplein het optreden van The Lipstick Painters bijgewoond. Van de vijf leden waren er drie aanwezig (drums en accordeon ontbraken). Het drietal bracht een mooi, zelf geschreven countryprogramma ten gehore. Daarna heel even naar het Groot Podium waar Raymond van het Groenewoud zijn stem nog heser zong dan ze al is. Gezien de volumeknoppen wellicht helemaal opengedraaid waren, ben ik op "veilige" afstand van het podium gebleven.
Dan in De Hopper samen met een horde anderen naar Frank Boeijen geluisterd, als haringen in een ton opeengepakt, want behalve tafeltjes, stoelen en een toog, stond er ook nog een vleugelpiano (!) en een muziekinstallatie in het kleine café. Na een half uurtje heb ik me, blauw aangelopen, ontBoeijd en ben ik naar buiten gevlucht om weer adem te halen. Langs allerlei kraampjes met oude boeken naar de BAFF gestapt, om Bart Moeyaert te ontmoeten. Op het uur waarop hij geprogrammeerd stond, werd echter Gwij Mandelinck voorgesteld. Het was blijkbaar "wat uitgelopen". Na Gwij kwamen nog Rob Schouten (Nl) en Stijn Vranken (die de namiddag in de BAFF ook presenteerde) aan bod. Van deze drie beviel Stijn mij (met gróte voorsprong) het best. Hij stak ("uit marketingoverwegingen", zei hij zelf) zijn bundel "Vlees mij" in de lucht. Moet ik toch eens lezen.
Drie kwartier later dan voorzien stond Bart voor de micro. Hij las met verve én met een gloednieuwe leesbril op de neus ("Het kind wordt een dagje ouder, het heeft een brilletje nodig," zei hij minzaam) een hoofdstuk voor uit zijn nieuwste boek: de novelle "Graz". Na de voordracht lukte het mij om zijn bundels "Verzamel de liefde" en "Gedichten voor gelukkige mensen" te laten signeren. Zo'n onleesbare auteurskriebel op het derde blad geeft een boek toch iets extra, alsof het speciaal voor joú geschreven werd: "voor Vera",... ach. Daarna had ik nog genoeg tijd om me terug naar het Lambermontplein te begeven. Vóór mij kwam Paul d'Hollander die ik goed kon appreciëren: een volkszanger die in het Antwerps zong en zichzelf begeleidde op de gitaar. Daarna was het mijn beurt: ik wisselde telkens een gezongen gedicht af met een voorgelezen gedicht. Publiek had ik meer dan genoeg, al gaf het mij soms de indruk dat het naar een televisietestbeeld aan het kijken was. Een vreemde ervaring... Lag mijn haar niet goed? Was men overdonderd door de ontdekking van het bestaan van sonnetten? In elk geval beenden ze niet halverwege mijn voordracht weg (te moe? teveel Cava gedronken aan het Cava-stalletje?)
Na het binnenwerken van een pak Aantwaarpse friet en kaaskroket, kroop ik terug de trein op om thuis mijn hoogst persoonlijke Moeyaert-bundeltjes in de boekenkast te gaan zetten...
Samen met Daan de Ligt (stadsdichter van de AD Haagsche Courant, Nederland) schreef ik onderstaand vierluik. Wij hadden plezier bij het bedenken van het verhaal, hopelijk beleeft u plezier aan het lezen ervan.
Contactadvertentie
beschaafde heer, wat grijzend langs de slapen en bovenop de schedel, zeg maar kaal wel lief, niet noemenswaardig geniaal de levenslust nog niet op apegapen
geen lichaamsbouw als goedgetrainde knapen het maandsalaris uitgesproken schraal de woning, tja … geen villa, meer modaal de buik is daarentegen welgeschapen
zou graag, omdat het maar niet lukt te sparen eens kennismaken met een rijke taart geen kinderen en hogelijk bejaard derhalve niet van plan nog te verjaren
dus bent u rijk en bijna doodverklaard dan heb ik tegen trouwen geen bezwaren
DdeL
Reactie
Geachte Heer Modaal, hier schrijft een fan van de contactrubriek in menig krant, door uw annonce aangesproken want het toeval wil dat ik van adel ben:
Gravin van-Eberstad-in-Nederland, al meer dan tachtig, maar nog vlot ter pen, fortuinlijk, kinderloos, bemind door hen die willen erven langs groottantes kant.
U zoekt een rijke “taart” die weldra sterft? Ik wens geen luiaard-in-verfrommeld-pak, alleen een jonge, energieke vent
die liefst de hele kamasutra kent. Pas na bewezen diensten op dit vlak wordt er gehuwd en na verloop... geërfd!
VDeB
Brief aan de Gravin
u bent pas tachtig, dat is wel wat jong ik val alleen op terminale vrouwen met wie ik, zij het kort, een nest wil bouwen u bent, zoals dat heet, 'still going strong'
maar u bent rijk, dus waag ik toch de sprong omdat mijn libido u zal benauwen en snel, ik denk een weekje na het trouwen zal zorgen dat u hunkert naar de gong
en als uw laatste uur dan heeft geslagen in 't liefdesbed dat ook uw sterfbed bleek dan ben ik 'uiteraard' totaal van streek maar zal mijn lijden als een kerel dragen
ik neem contact op, gauw, nog deze week u zult genieten van uw laatste dagen
DdeL
Antwoord van de Gravin
Ik heb de zaken nog eens afgewogen, heb mij heel openhartig afgevraagd of u een oude freule soms graag plaagt, wellicht is uw imago slechts gelogen.
U kan misschien op buik en kaalheid bogen, als Don Juan bent u niet half geslaagd. Ik wed dat u in bed ook sokken draagt en zoiets kan de wellust niet verhogen!
Neen, neen, uw mooie woorden zijn bedrog! Ik zoek me zelf een laatste-reisgenoot: nog jong, gespierd, behaard en cash betaald,
die om mijn landgoed, geld, kasteel niet maalt. Toch erft die lieverd alles bij mijn dood: van adel wordt mijn blauwe Duitse dog.
Zaterdag 12 september werden in Gent alle genomineerden van de sms-poëziewedstrijd (georganiseerd door Base) in de spreekwoordelijke watten gelegd. Alle genodigden (waaronder ikzelf) mochten een hele namiddag genieten van de concerten in het kader van "Odegand". Om 18u vond de feestelijke prijsuitreiking plaats in de troonzaal van het stadhuis. Kristof Frederickx won de eerste prijs. Een deel van zijn winnend gedicht werd gebruikt als titel voor het bundeltje met de 34 genomineerde sms-gedichten, dat op 8.000 exemplaren werd gedrukt en gratis zal worden uitgedeeld aan de bezoekers van de concerten van het Festival van Vlaanderen: ¡Zalig verrukt!
Na de prijsuitreiking was er een privé-concert van "...(sic) formerly known as Blindman" (een vijfkoppig blazers- en slagwerkensemble), op zijn minst een "uitzonderlijke" ervaring te noemen... Daarna werd ons een walking dinner aangeboden.
Mijn genomineerd gedicht:
Stervend onder een zwarte hemel, tot ik aan jou denk, een doek in vreugde drenk en met ferme halen een gat wrijf in de lucht waardoor ik adem, nogmaals leef.
Op zondag 20 september ben ik één van de deelnemende dichters aan LAMBERZINNE, een open podium op het Lambermontplein tijdens Zuiderzinnen, het groot jaarlijks terugkerend literatuurfestival in Antwerpen. Mijn voordracht is voorzien om 17u30.
Gisteren was ik één van de voordragende dichters tijdens de tweede zondichtmiddag georganiseerd door Hernehim Cultuur. De voordrachten vonden plaats in de stemmige kelder van De Kargadoor in Utrecht. Gedurende bijna de hele namiddag stond de deur achteraan de kelder open, zodat we uitkeken op het water en af en toe een bootje zagen passeren.
John Zwart was presentator van dienst nadat Jet van Swieten het om gezondheidsredenen had laten afweten. Vóór de pauze werden de schrijvers van de genomineerde gedichten naar voren geroepen om telkens een korte voordracht te houden. Blij verrast kreeg ik te horen dat mijn gedicht "Barrière" als gedicht van de maand april werd gelauwerd. Voor de maand mei viel de eer te beurt aan Angela Hart voor haar gedicht "Het huis met de dubbele luiken". Ook Anneke Wasscher, Hannelly Krutwagen-Lemmens en Joop Scholten droegen voor.
Daarna werd er aandacht besteed aan de "vertalingsopdracht" die Hernehim had uitgeschreven. Eerst kregen we het originele gedicht "Do not go gentle into that good night" van Dylan Thomas te horen en daarna twee uitmuntende vertalingen: een heel getrouwe vertaling wat het rijmschema betreft van Anke Labrie en een vrijere, heel originele vertaling van Lisette Waterschoot. Aan beide schrijfsters werd een biografie van Dylan Thomas ten geschenke gegeven.
De "streepjes muziek" werden verzorgd door de singer-songwriter Jascha van Roy.
Na de pauze kwam het open podium met voordrachten van Rik Comello en Frans Terken. Wie graag een favoriet gedicht (van zichzelf of van een ander) wou ten gehore brengen kreeg daar eveneens de mogelijkheid toe. Zelf zong ik nog twee gedichten, waarbij vooral de Vlaamse versie van "Van de reëne in de soepe" in de smaak viel.
Het was een geslaagde en leuke namiddag. De volgende zondichtmiddag gaat door op 15 november: ik kan het u aanbevelen! Alle informatie is te gepasten tijde te vinden op http://www.hernehim.nl/cultuur.htm
op wandel in de bergen loopt mijn ziel steevast voorop springt over grote keien waarmee de smalle paadjes ginds bezaaid zijn huppelt langs klingelende koeien met slome ogen
ze beeldhouwt rotsen met een scherpe zon kleurt een waterval in regenbogen voor 't lijf dat achterkomt als eerste snelt ze de helling op voelt de witte koelte
wanneer er op de gletsjertop hijgend naast haar wordt neergeploft de batterij platter dan plat staat zíj alweer op sprintersbenen ze heeft dedzju geen zittend gat
Op zaterdag 18 juli (tijdens de Gentse Feesten) ben ik één van de voordragende dichters/performers tijdens de avond georganiseerd door Creatief Schrijven. Plaats: zaal Ghent in Cap, Maagdenstraat 14, 9000 Gent.
De avond begint om 20u en duurt tot 23u. Geertje De Ceuleneer en Geert Maeckelbergh lezen eerst een half uurtje voor, met muzikale begeleiding van Sacha van Loo. Peter Decroubele van de VRT presenteert en breit de avond aan elkaar.
Op zondag 23 augustus ben ik één van de deelnemers aan de tweede "Zondichtmiddag", op uitnodiging van Hernehim wegens mijn nominatie voor het "gedicht van de maand april". Plaats: De Kargadoor, Oudegracht 36, Utrecht (Nederland). Aanvang: 14u
Dus wie mij eens live wil horen voordragen én zingen.... weet waar naartoe.
Het jaarlijks poëziefeest "De Haarlemse Dichtlijn" vierde het eerste lustrum. Op Pinksterzondag 31 mei maakte een recordaantal van 90 dichters en performers zijn opwachting voor het publiek, dat gezellig kon wandelen van locatie naar locatie en eventueel zelfs een stukje kon varen over het Spaarne van de Waagkade naar museummolen De Adriaan. De opening vond plaats in de Vishal door dichter-journalist Nuel Gieles. Van daaruit verspreidden de dichters zich over acht locaties in de stad. Ter gelegenheid van het vijfjarig jubileum is er een dikke extra fraaie bundel uitgegeven, waar vrijwel alle deelnemers in bloemlezing zijn opgenomen.
Hoe zal het Haarlem gaan
In somberheid beschrijven futurologen een toekomst waarin slechts de melding staat van water, woest en ledig - zoals lang geleden - als het om Holland gaat
Amersfoort aan Zee voorspelt men, dat is het wat ons wacht, een ongemakkelijke waarheid van steeds wijken, waarin als slechte grap het hart van Nederland een Noordzeestrand wordt toegedacht
Maar als dan de zee door wering breekt of ze bruist er overheen - verwoestend in haar baan tot wie weet waar - hoe zal het dan Haarlem gaan, schuilend achter brede duinen, zal zij vóórtbestaan?
Ja Haarlem houdt het droog, al spoelt heel Holland weg: Haarlemmer-oog zal blijven, een eiland aan de rand van stromen van getij door gezonken land, de Bavo-toren baken voor bootjes op het wad, met
om de noord een veerboothaven, en molens zwaaiend op de dijken als voorheen op de wallen van de stad
Echt àl hetgeen waarover ik wil schrijven, lijkt door een ander reeds zo goed beschreven. 't Zijn steeds dezelfde thema's die ons blijven, die spelen in eenieders zelfde leven.
De liefde die we allemaal bedrijven, de vriendschap die we aan elkander geven, de jaloezie, het ruziën, het kijven, 't geluk, de roem of macht waarnaar we streven.
En zelfs het feit dat niets er nog toe doet wanneer 't moment van sterven is gekomen, tot in den treure wordt ook dàt herhaald.
Vandaar dat ik slechts schrijf omdat ik moet. Oorspronkelijkheid? Een zaak om van te dromen! Toch ploeg ik voort, al is het land verschraald.
ze lokken mij: kom binnen in dit gedicht de vertaling van een tekening neergekrabbeld met botte kleurpotloden geurend naar geestverruimend snoepgoed uit kleverige puberhandjes
dieren spelen kiekeboe een kip, een koe, een kaketoe ze zien, ze zien wat ik niet poëzie? belletjetrek, woordjesgek waar blíjft die olifant met lange snuit
Een impressie van mijn deelname aan het slotevenement van “Poëzie in het park” in de Tolhuistuin in Amsterdam, georganiseerd in het kader van “Amsterdam Wereldboekenstad”.
Opnieuw was ik één van de “Dichters in het gras”. Ik had het geluk helemaal aan de ingang/uitgang te staan: iedereen die toekwam of vertrok, moést langs mij passeren. Als een soort visboer moest ik mijn waar aanprijzen en zo kon ik vaak enkele mensen “strikken” voor een voordracht. Ik liet hen altijd kiezen: gedichten in vrije vorm, sonnetten of gezongen gedichten. Tot mijn groot plezier kozen ze zonder uitzondering om te starten met gezongen gedichten. Het was dan ook het geschikte weer om te zingen: de zon scheen, er was een effen blauwe lucht, iedereen was in lentestemming. Wat me ook opviel: dat ze zo'n waardering hadden voor de sonnetten. Toen ik na de voordracht kaartjes uitdeelde waarop mijn weblogs vermeld staan, vroeg men steeds wat “gorgelrijmen” waren. De naam Cees Buddingh' deed bij niemand (?) een belletje rinkelen, maar toen ik de Blauwbilgorgel begon voor te dragen, kenden ze het zogoed als allemaal (één iemand kon zelfs een deel van de tekst meezeggen.) en toen wilden ze mij er als toemaatje graag enkele horen zingen.
Samengevat: geen grote drommen publiek tegelijk, maar wié naar me kwam luisteren deed dat met gemeende belangstelling, vroeg steeds zélf naar nog meer gedichten, vroeg hier en daar uitleg, gaf complimenten én bedankte me achteraf voor de voordracht. Ik vind het een goede formule met veel interactie.
Misschien was de locatie minder goed dan in de grotere parken: de dichters zaten te dicht bijeen en er was teveel hinder van het nabijgelegen podium waar de muzikanten aan het optreden waren. Hoe dan ook vond ik het een geslaagde namiddag en een mooie afsluiter van de evenementen rond Poëzie in het Park.
Voor en na Dichters in het gras waren er o.a. voordrachten (gedichten) van studenten die aan een uitwisselingsprogramma hadden deelgenomen (Nederland/Vlaanderen/Duitsland), optredens van muziekgroepjes, interviews met schrijvers,... én de voorstelling van de bundel "Het beste uit Poëzie in het Park", waarin ook mijn gedicht "Geduld" opgenomen werd. Alle aanwezigen kregen de bundel gratis mee naar huis.
Het leven kleefde mij niet aan, de dagen gleden van me af. Was dit mijn welverdiende straf na almaar stil te blijven staan bij wat aan tijd teloor moet gaan? Wat elke ademtocht mij gaf, was de gedachte aan het graf, als een barrière op mijn baan. Ik heb dat hek niet neergehaald, maar klom erover, bond een lint van zwarte uren rond het slot.
En rot het hek door spijt kapot, dan waaien spaanders in de wind, ontknoopt het lint, naar grijs vervaald.
Het motto van de Nederlandse boekenweek (11-21 maart) is dit jaar "tjielp tjielp". Dat dit "toch" tot leuke gedichten kan leiden bewijst Daan de Ligt, stadsdichter van de AD Haagsche Courant, met zijn gedicht
vogelvriend in Clingendael
vertel nou niet dat u er wel kunt slapen dat u tot rust komt in zo’n vredig bos u maakt een peluwtje van mollig mos en weldra volgt een zeer hardnekkig gapen?
mij is dat voorrecht nooit te beurt gevallen als ik mij neervlij tussen het struweel begint een duif met opgezette keel mijn zo begeerde dagrust te vergallen
word ik gestoord door luid gekras van kraaien beginnen mezen aan een druk gesprek hun vals gekwetter maakt mij knettergek en hoor ik sappig Vlaams van domme gaaien
al snel begin ik van de kook te raken dan tjift een blije tjiftjaf lustig tjaf en zeer geïrriteerd vraag ik mij af: hoe zou tjaptjoi met vlees van tjiftjaf smaken?
tjielptjielp, tjiftjaf, tjilp tjilp … een hels kabaal en ik ging voor mijn rust naar Clingendael
'k Ben tegendraads: ik dump een blanco regel, hoe ongehoord!, temidden van dit blad. Zijn inhoud zit nog vorstelijk in bad, het koningsblauw, u weet wel, met als zegel
de pelikaan. Geen achtste vers, geen wegel waar schone beeldspraak bloesemt, dus geen pad dat u naar de terzinen brengt. So what? .
Die lege regel blijft hierboven staan! En al wat volgt, dat hou ik nét zo leeg want IK beslis en kies voor hol geleuter,
het resultaat van pennensnotgepeuter. Of dacht u soms dat u iets beters kreeg? Met woorden wordt het niets geen recht gedaan!
dit jaar een onbestaande dag. Wat zou ik doen als mij vannacht, na de twaalfde slag, een extra etmaal werd gegeven en als geen ander dan ikzelf dit wakker zou beleven?
Waar zou ik gaan? Wat zou ik willen zien? Wie zou ik kussen in zijn slaap? Bij wie zou ik de suiker vervangen door het zout?
Of zou ik blijven liggen naast hem, die van mij houdt, tot aan het tweede ochtendgloren waarin de nieuwe maand geboren.
(hebt u een Druivelaar? dan leest u dit gedichtje op het blaadje tussen 28 februari en 1 maart...)
Naar aanleiding van de jeugdboekenweek zal ik begin maart vier voordrachten geven over het gorgelrijm in de bibliotheek van Maarkedal, voor de klassen van het derde en vierde leerjaar uit de Maarkedalse scholen.
De bárzilmus is de nieuwste telg in mijn reeks gorgelrijmen.
De bárzilmus heeft erge jeuk, toch durft ze niet te krabben. De laatste keer dat ze het deed, schoot haar karmonkel in een deuk en stond haar poot vol flabben.
Geloof me maar: het is niet leuk behept met een karmonkeldeuk te hippen op beflabde poot in de Bárzilse Slabben.
Nog liever ging ze stokstijfdood aan echt-niet-te-verdragen jeuk dan dat ze weer zou krabben!
ik vernevel sterren rond hun hoofd glinsterende dromen die doen twinkelen
die
doen
d n e
a s n
dan lopen ze niet wijdbeens achter verre, ongrijpbare wensen aan maar dansen ter plekke, schuifelend brengen stil, ssst!, stil de handen naar het hoofd zodat ze er soms eentje kunnen
Vandaag wil ik wel eens wat anders kwijt dan fraaie woorden en verfijnde zinnen. Nochtans ga ik geen stoer pleidooi beginnen voor schuttingtaal, daaraan heb ik het schijt
(pardon, een broertje dood). En tot mijn spijt wordt er wat afgefucked ('t is géén beminnen!) en worden muilperen verkocht aan kin en bakkes, menig smeerlap sneuvelt in de strijd.
Ach kut, 'k help dit sonnet echt naar de kloten want in het vloeken ben ik niet bedreven en suggestieve taal is nooit ontsproten
bij 't voelen van mijn harde, stijve pen. Ik heb nog nooit een geil gedicht geschreven, misschien dat ik een preutse dichter ben...
Ik ben geboren in 1964 en studeerde af als licentiate Romaanse Filologie aan de Universiteit Gent. Mijn hobby's zijn vooral lezen, wandelen en het schrijven van gedichten. Omdat ik zelf liefst toegankelijke gedichten lees waarin ik de gedachten of gevoelens kan herkennen, probeer ik ook in die trant te schrijven. Soms schrijf ik in vaste vorm (vooral sonnetten), soms in vrije vorm. Liefst van al laat een gedicht mij achter in de overtuiging dat het op geen enkele andere manier kon geschreven worden.
Mailen?
Druk op onderstaande knop indien u mij wil e-mailen.