Pedofilienetwerken met 'hooggeplaatsten' bestaan wel degelijk. De netwerken bestaan in verscheidene landen en verrichten gelijkaardige gruweldaden. We behandelen in onderstaand artikel achtereenvolgens België, Australië en de Verenigde Staten. Pedofielen in hoge plaatsen zijn evengoed in Groot-Brittannië en Portugal actief bezig. Een gemeenschappelijk kenmerk is dat de betrokkenen de doofpot in stand kunnen houden dankzij hand- en spandiensten van corrupte elementen binnen de gerechtelijke en inlichtingendiensten.
B e l g i ë
De verdwijning van Stacy en Nathalie op 9 juni 2006 herinnert ons pijnlijk aan het pedofiliehoofdstuk in België. Amper twee maand geleden, op 16 april, kwam Michel Nihoul vrij onder voorwaardelijke
invrijheidstelling.
Het lijkt wel alsof de kindontvoerders
sinds de vrijlating van Nihoul nieuwe moed hebben verzameld en ons
willen herinneren aan hun invloed. Het is onwaarschijnlijk dat Stacy en
Nathalie levend terug zullen gevonden worden. Andere meisjes zoals Estelle
blijven vermist. Slachtoffers van pedofilienetwerken zijn overgeleverd
aan de zielloosheid van hun misbruikers, vooral als ons gerechtelijk
apparaat zelf moreel en sexueel corrupt blijkt.
In augustus 1996 slaagt onderzoeksrechter Jean Marc Connerotte er op heroïsche wijze in uit de kelder van Marc Dutroux twee ontvoerde kinderen te bevrijden. Connerotte volgt in zijn onderzoek de piste van de netwerken. Hij wil uitstrijkjes en DNA van de lijken van de vermoorde kinderen analyseren. Zijn superieuren laten dat echter niet toe: Connerotte wordt omwille van een futiliteit van het onderzoek gehaald en vervangen door een debutant. Niet het pedofiel netwerk rond Nihoul, maar Marc Dutroux moet de focus worden van het onderzoek.
Dat het pedofilieproces absoluut de piste van de netwerken niet mocht inslaan, wordt duidelijk wanneer verscheidene cruciale getuigen in de aanloop naar de rechtszaak in vreemde omstandigheden om het leven komen. In chronologische volgorde:
Francois Reyskens:
zei begin juli 1995 informatie te hebben
over de verdwijning van Julie en Mélissa.
Nog voor hij het politiestation kon bereiken werd hij door
een trein overreden.
Bruno Tagliaferro, een ijzerventer uit Charleroi en kennis van Dutroux, liet weten dat hij info kon verschaffen over de auto waarin Julie en Mélissa werden ontvoerd. Hij zei ook een lijst te bezitten van namen die met Dutroux verbonden waren. Hij werd op 5 november 1995 dood aangetroffen, schijnbaar na een hartstilstand.
Zijn vrouw Fabienne Jaupart kon dat moeilijk geloven en zocht een secundaire lijkschouwing. Bloedstalen zouden hebben aangetoond dat haar man vergiftigd werd. Kort daarop werd ook zij echter dood aangetroffen, half verbrand achtergelaten op een nasmeulende matras. Op de matras werden sporen van een brandversneller gevonden.[1 (midden pagina)] Het essentiële spoor van de autozwendel wordt verder efficiënt van het proces afgesplitst door algemeen openbaar aanklager Anne Thilly. Die heeft er veel voor over om het proces te dwarsbomen.
Simon Poncelet,
politiespeurder naar dezelfde autozwendelpiste werd op 22
januari 1996 neergeschoten. Vader Poncelet benadrukt dat hij in de moord op zijn zoon een verband
ziet met het Dutroux-proces.[2]
Brigitte Jennart, tandarts van Michel Nihoul en diens vrouw Anne Bouty, pleegt zogezegd zelfmoord op 5 april 1998. Jennart
is wellicht de belangrijkste omgekomen getuige. Ze wist dat het paar-Nihoul een
zwendel onderhield met Afrikaanse vluchtelingen waarin pedofilie een
sleutelrol speelde.[3]
Anna Konjevoda meldt zich in 1996 tijdens de opsporing van de meisjes telefonisch aan als getuige. De vrouw weet meer over het verband tussen de ontvoeringen
van de kinderen en de autozwendel in Charleroi. Op 7 april 1998 wordt ze uit het kanaal van Luik gevist. Een autopsie wijst uit dat ze door wurging is omgekomen.[bron]
Guy Goebels, politiespeurder naar de verdwijning van Julie en Mélissa pleegt met zijn dienstwapen op 25 augustus 1995 officiëel zelfmoord. De ouders van de meisjes kenden de speurder goed en achtten moord waarschijnlijker.[4]
Jean Marc Houdmont,
kennis van Dutroux, sterft op 25 februari 1997 in een auto-ongeluk, terwijl
hij op weg was naar Namen om zijn getuigenis over Dutroux af te leggen.[5]
Het merendeel van bovenstaande
getuigen belde zijn of haar belangrijke nieuws door aan de rijkswacht of de
rechtbank alvorens kort daarop het leven te laten. De opzettelijk gebrekkige
mate waarin het onderzoek naar deze sterfgevallen werd behandeld, en de vrijwel
volledige mediastilte over deze overleden getuigen, is veelzeggend.
Een gebroken Jean-Marc
Connerotte vatte het tijdens zijn verschijning op het Dutroux-proces goed samen:
dat nog nooit zo veel energie werd verspild aan het tegenhouden van een onderzoek.
Hijzelf kreeg van politie te horen dat er huurcontracten klaar lagen om indien
nodig de magistraten uit te schakelen. Connerotte zelf moest getransporteerd
worden in een kogelvrije auto. Nihoul genoot volgens hem dan weer
van een zekere onaantastbaarheid.[6]
De cover up wordt bevestigd door een getuigenis van een bekend slachtoffer van de pedofilenetwerken. Tijdens de arrestatie van Dutroux herkent pedofilieslachtoffer Regina Loufop de televisie Michel Nihoul als één van de kinderbeulen die ze over haar heen kreeg.[7] Volgens haar had Nihoul een centrale rol in het organiseren van de Roze Balletten: bijeenkomsten in de jaren '80 waarin minderjarige meisjes door verscheidene heren gruwelijk werden misbruikt. Ze getuigt dat Michel Nihoul samen met Anne Bouty in 1984 de rituele moordenaars waren van een ander slachtoffer, Christine Van Hees. Ze beschrijft alle details van de moord exact zoals de onderzoekers die hadden uitgepluisd.[8] Regina kende ook de slachtoffers van het netwerk Carine Dellaert en Catherine De Cuyper en verscheidene andere vermoorde meisjes.
Regina herkende tijdens
haar mishandeling bekende politici; ze vernoemt hooggeplaatste rechters, politieofficieren
en zakenlui. De ondervragingen van Regina en van andere pedofilieslachtoffers X2 en X3 brengen
namen naar boven als Paul
Van den Boeynants,Maurice
Lippens,Melchior
Wathelet, Wilfried
Martens,leden
van het koningshuis en verscheidene andere 'notabelen'. De
originele (schokkende) politieverhoren van Regina als getuige X1 (pp. 8 tot
1083), alsook die van X2 (pp.1083 tot 1100) en X3 (pp.1100 tot 1105), incusief
de namen van de deelnemers en hun perversies, zijn uitgelekt op het internet.[downloadbaar via deze bron]
Michel Nihoul rolde tijdens het onderzoek enkele keren zijn spierballen
en vernoemde inderdaad Paul
Van den Boeynants.[9] Nihoul was ooit diens campagnefinancier
en hield
zich op in dezelfde neofascistische milieus rond het CEPIC.[10]
Dat de notabelen met hun naam genoemd worden als aanwezigen op de seksfuiven betekent niet dat
al deze mannen wrede pedofielen zijn. Sommigen kunnen door Nihoul met valse
beloften in de val gelokt geweest zijn om vervolgens met minderjarigen op compromitterende
foto's of video's te belanden. De chantagetactiek van Nihoul was inherent aan zijn organisatie en was lucratief. Aan buitenlandse media
zoals der
Spiegel en Canal+ trachtte Nihoul meermaals de verkoop van
compromitterende foto's te regelen om zo zijn woorden kracht bij te zetten.[11]
Indien Nihoul inderdaad dergelijk materiaal bezat,
valt het te begrijpen waarom de netwerkpiste rondom zijn persoon in de pan werd
gesmoord; men heeft zijn chantagespel meegespeeld.
Dat valt echter onmogelijk goed te keuren: de verdwijning van weer twee nieuwe meisjes in Luik indiceert wellicht dat de pedofilienetwerken onverminderd hun misdaden voortzetten. Het is raadzaam dat heren die van dergelijke perversies genieten in eigen hart kijken en beseffen dat ze fout zijn.
Dat geldt ook voor pedofielen aan de andere kant van de werld. Dr. Reina Michelson is de directeur van het Child
Sexual Abuse Prevention Program (CSAPP) in Victoria, zuid-Australië en sinds
decennia bekroond voorvechtster van kinderrechten over
de hele wereld. Haar verhaal begint in 1995 wanneer ze de alarmbel rinkelt over
pedofilienetwerken die worden gerund vanuit een kostschool in Victoria
en een dagopvangcentrum in Melbourne. Geen van deze zaken wordt
opgehelderd.
Sindsdien ontmoet Dr. Michelson regelmatig gelijkaardige slachtoffers
die getuigen van sadistische praktijken met kinderen van 2 tot 14
jaar oud, tot en met het onderwijl draaien van pedofiele pornofilms en zelfs het vermoorden van kinderen. Dit onrecht stamt reeds uit de jaren '80 en duurt ongestraft voort.[12][13][14]
Mediamagnaten,
zakenlui tot en met verscheidene politici worden door pedofilieslachtoffers
bij naam genoemd als deelnemers aan de wanpraktijken. Niemand wordt vervolgd.
De cover up in Australië is dan ook extensief:
De zaak in verband met een kinderopvangcentrum in Mornington, met kindermisbruik
op minstens 19 jonge kinderen, wordt door de politie van Victoria totaal verwaarloosd.
Noch de ouders, noch de slachtoffers worden zelfs maar één keer door de instanties
verhoord.[15]
De klacht in april 2002 tegen een mediamagnaat uit Melbourne die een 3 jaar
oude jongen herhaaldelijk verkrachtte -- misbruik dat werd geconfirmeerd door
het Royal Children's Hospital's Gatehouse Centre -- wordt twee dagen later
al geseponeerd.[16]
De klacht in maart 2004 van een pedofilieslachtoffer uit de jaren '80 tegen
een bekende TV-persoonlijkheid wordt door de politie van Victoria later in
het jaar kortweg vernietigd.[17]
Een pedofiele onderwijzer in Melbourne geeft nog steeds les in het secundair
onderwijs. Hij werd nooit verhoord of gestraft.[18]
De doofpotoperatie van
het Australisch pedofilienetwerk heeft alles te maken met de medeplichtigheid
van de veiligheidsdiensten. Verscheidene slachtoffers getuigen dat ze bij bepaalde
gelegenheden door politieofficieren zelf werden
misbruikt. Hetzelfde staat te lezen in een brief naar het CSAPP uit april 2004
van een vrouw die getuigt hoe hooggeplaatste politieambtenaren in Victoria van
de lokale kinderprostitutie gebruik maakten. Deze vrouw wordt door politiepatrouilles
geïntimideerd en vreest 'gezelfmoord' te zullen worden. Ook Dr. Michelson wordt
niet gespaard: bij haar werd ingebroken, een familielid werd bedreigd en zijzelf
is regelmatig het voorwerp van intimidaties.[19][20][21]
We herkennen hetzelfde
fenomeen in België: Marie-France
Botte, een internationaal befaamde Waalse kinderrechtenactiviste, en
fervent aanklaagster van pedofilienetwerken, spreekt in augustus 1996 van bescherming
van hooggeplaatste pedofielen. Haar vereniging wordt voortdurend ondermijnd
en moet uiteindelijk de deuren sluiten. Ze
trachtte zich eind 1998 zogezegd te zelfmoorden door een brandend middel in
te slikken.[bron]
Gina Pardaens, Vlaamse kinderrechtenactiviste,
komt om bij een verkeersongeval in november 1998. Ze onderzocht de verdwijning
van kinderen binnen een pedofilienetwerk en was net voor haar dood op informatie
gestoten in verband met het netwerk van Nihoul. Voor haar ongeval werd ze bij
herhaling geïntimideerd via telefoon en op de openbare weg.[bron]
Dat zelfs kinderrechtenactivisten door corrupte veiligheidsdiensten het leven riskeren is eigenlijk te gek om los te lopen. Het is nochtans wat we aan beide kanten van de wereld constateren. Ook het pedofilieschandaal in de Verenigde Staten toont opmerkelijke analogieën met dat in België.
Paul
Bonacci klaagt in 1999 een reeks notabelen aan
in Nebraska voor het misbruik dat hij tijdens de jaren '80 als pedofilieslachtoffer
onderging. Hij beschuldigt met naam genoemde vooraanstaanden uit het politieapparaat,
de zakenwereld, de media, de kerk en de plaatselijke school voor weeskinderen.
De zwarte Republikein Larry King, manager
van het Community Federal Credit Union in de stad Franklin,
zal veroordeeld worden tot het betalen van één miljoen dollar schadevergoeding.[22]
Dit proces, net zoals
in België en Australië, toont aan hoeveel vertegenwoordigers van de staatsstructuur
aan het kindermisbruik deelnemen. Een terugkerend thema is blijkbaar ook het
profiteren van scholen, opvangcentra en weeshuizen om kinderen te ronselen,
en dat kinderen vanaf jonge leeftijd worden 'geconditioneerd' om het misbruik
als normaal te beschouwen.
Het proces in Nebraska
doet oude wonden openrijten. Een onderzoek van het onderzoekscomité in Franklin
toont aan dat het kindermisbruik er dateert van 1984 en waarschijnlijk zelfs
van vroeger. Lisa, een meisje uit Franklin dat op haar veertiende in dit pedofilienetwerk
werd geduwd, ondergaat een FBI-leugendetectortest, omdat haar getuigenis zo
schokkend is. Ze vertelt dat ze als veertienjarige samen met minderjarige jongens
door hoger vermelde Larry King naar een seksfeest in Chicago werd getransporteerd,
en daar onder meer toenmalig presidentskandidaat en CIA-directeur George
H.W. Bush herkende. Dat staat onder andere te lezen in een befaamde biografie
over de president. De leugendetectortest wijst uit dat Lisa de waarheid spreekt.[23]
Eerdere onderzoeksartikels
uit de New York Times van 15 en 22 december 1988 doen uit de doeken dat minderjarigen
van Franklin tot in Washington sinds jaren verplicht werden sadistisch getinte
seksuele diensten te verlenen aan vooraanstaande pedofielen.[24]
Op 29 juni 1989 verschijnt een artikel
in de Washington Times getiteld (mijn vertaling,
nvda): "Onderzoek naar Homoseksuele Prostitutie strikt VIPs rond Reagan,
Bush".[25]
In het artikel stond te lezen dat jonge prostituees waren meegevoerd tot in
het Witte Huis en misbruikt werden tijdens perverse feestjes met de meest hooggeplaatste
politici, militairen, en zakenlui. Craig
J. Spence, een homoseksuele Republikeinse lobbyist,
had daarbij minstens bij één gelegenheid minderjarigen in het Witte Huis binnengeloodst.
Craig
Spence is een spilfiguur in de seksschandalen rond Washington. Het is een Amerikaanse
versie van Michel Nihoul. Hij organiseerde elitaire seksfuiven in zijn eigen
buitenverblijf waarbij tal van hooggeplaatste deelnemers discreet werden gefilmd
en de videotapes werden bewaard. Zoveel blijkt uit een Washington Times follow-up
artikel van 30 juni 1989.[26]
Craig Spence zou tot een vriend
gezegd hebben (mijn vertaling, nvda):
"Ik heb jongens en meisjes nodig voor mijn feestjes met regeringsleden, hooggeplaatste
zakenlieden, andere individuen, al wat zich aandient."[27]
Interessant is dat de chantagepraktijk volgens Spence een langdurige
CIA-operatie was waarbij call boys en minderjarigen systematisch geronseld werden
om vervolgens in compromitterende feestjes met binnen- en buitenlandse gasten
te figureren. De lobbyist annex pooier liet
daarbij verstaan dat hij uiteindelijk wellicht door de CIA zou verraden worden
en zou omkomen in een schijnzelfmoord. Hetgeen ook gebeurde.[28]
S y n t h e s e
Uit getuigenissen van pedofilieslachtoffers aan beide kanten van de oceaan blijkt dat de georganiseerde seksuele wandaden vaak van een onvermoede perversie zijn -- de details hebben we in bovenstaand artikel uit goede smaak weggelaten. De betrokkenen geven zich over aan verkrachtingen, marteldaden en zelfs moorden van jonge mensen. De taferelen worden soms gefilmd in zogeheten snuff movies.
Er zijn satanische rituelen mee gemoeid.
Het ontstellende is
niet enkel dat
dit soort ziekelijkheden werkelijk gebeurt, maar dat er vaak een goed
geoliede organisatie achter
schuil gaat. De chantagepraktijk, maar ook het succes van de doofpotoperatie wijzen uit wie de ruggegraat van deze organisatie vormt. Het
schrijnende kindermisbruik in België, Australië, en de Verenigde Staten, toont aan hoe pedofilieslachtoffers
en kinderrechtenactivisten door het veiligheidsapparaat zelf worden geïntimideerd
en bedreigd. Intimidaties
die gebeuren op een systematische en deskundige wijze. Indien
chantage of bedreiging niet succesvol zijn, oefent het uitvoerend orgaan rond
de machtige pedofielen zwaardere middelen uit. Het indiceert dat corrupte
veiligheidsdiensten overal ter wereld
actief meewerken om de cover up van pedofiele netwerken
in stand te houden.
Er valt in dit dossier ook een argument te bouwen voor medeplichtigheid tussen inlichtingendiensten aan beide kanten van de oceaan. Uitgenodigde gasten worden in
de val gelokt, gefilmd en indien nodig gechanteerd met foto's van de pedofiele taferelen. Het filmen van vooraanstaanden
in dergelijke situaties is een efficiënte chantagetechniek
die door inlichtingendiensten
overal ter wereld wordt gehanteerd: Craig Spence zette dit middel in als machtselement voor de CIA, Michel Nihoul naar alle waarschijnlijkheid in samenwerking met de toenmalige Staatsveiligheid. Madani Bouhouche en Martial Lekeuwaren lid van de Staatsveiligheid. Hun aanwezigheid wordt gesignaleerd op Nihouls feestjes. Van Bouhouche is geweten dat hij zelf dergelijke chantagepraktijken had op poten gezet.[29][30]
Samenwerking tussen beide inlichtingendiensten in het seksueel chantagespel lijkt aannemelijk. De Staatsveiligheid werkte tijdens de jaren '80 zowat in onderaanneming bij de CIA, hetgeen uitkomt doordat de Belgische inlichtingendiensten betrokken bleken bij de organisatie van politieke schijnterreur binnen het Gladio-programma.[31] Dat deze samenwerking tussen CIA en Staatsveiligheid ook chantagetactieken met minderjarigen betrof, is niet uitgesloten.
Tijdens mijn postgraduaat-studies Human Ecology (V.U.B. 2004) zocht ik naar een praktische stage bij een interessante milieu-NGO of -overheidsinstelling. Na enig zoeken via allerhande illustere vacaturebanken viel mijn oog op The Bellona Foundation met zetel in Brussel. Ik stuurde een sollicitatiemailtje, kreeg een afspraak en werd aanvaard als stagiair. Het zou het begin worden van een riskante periode.
Deze Bellona-stichting houdt zich binnen het Europees Parlement bezig met milieuconferenties. De focus ligt op fossiele brandstoffen en nucleaire energie. Mijn enthoesiasme, als student ecologie, was dus redelijk groot. De lobbying werd in de praktijk gedaan via rondetafelconferenties in zijvertrekken van het imposante Europese parlementsgebouw aan het Leopoldsplein. Mijn taak bestond erin het verslag van deze conferenties neer te schrijven. Mijn rapport over de gevaren van olietransport op de Barentszeeën valt terug te vinden op de website van Bellona.(1) Kortom, voor mij zou deze stage vast een goede leerschool worden om het politieke reilen en zeilen binnen de Europese instellingen te leren kennen, vooral op milieugebied...
...tot ik wat meer ging grasduinen in het verleden van deze Bellona Foundation. Ik was namelijk wel wat vertrouwd met de milieu-sector, maar van Bellona had ik nog nooit gehoord. Wat er allemaal uit de mand zou vallen tijdens mijn opzoekingen deed mijn mond openvallen van verbazing.
In Rusland bracht Bellona de wankele veiligheid van de kernduikboten aan het licht. De NGO droeg daardoor een hele rompslomp aan rechtszaken met zich mee. Bellona werd door de FSB (Federal Security Service) meermaals beticht van spionage-activiteiten.(2) Bellona-medewerkers hadden vermoedelijk connecties met de westerse inlichtingsdiensten.(3) Dit staat opvallend genoeg op de Bellona-website te lezen.
De affaire-Nikitin kwam in bovenstaand spionage-verband het meest in de schijnwerpers. Alexander Nikitin was een kapitein in het Russische leger die er door de Russische inlichtingsdiensten FSB van beticht werd voor Bellona, onder betaling, inlichtingen te verzamelen. In september 2000, na jarenlang juridisch getouwtrek, werd de rechtszaak tegen Nikitin door het Russisch Hoog Gerechtshof uiteindelijk in zijn voordeel besloten. De Russische officier fungeert sindsdien wereldwijd als kruisvaarder tegen de ontransparante werking van het Russische gerecht en als eerste bekende aanklager van de befaamde roestende duikzeeboten en radioactieve besmetting van de noord-Russische vloot.(4)
Rond Bellona hangt inderdaad heel wat rook die deze NGO in een ander daglicht stelt. Aanklagers en journalisten in Rusland opperden meermaals de beschuldiging dat Bellona indirect werkte voor de westerse inlichtingsdiensten, en de dekmantel van een milieukruisvaart gebruikt om o.a. militair spionagewerk te verrichten.(5) Het is een teken aan de wand dat de spionageklachten aan het adres van Bellona in Rusland meermaals herhaald werden.
In Rusland houdt zich ongetwijfeld een resem niet-goevernementele organisaties op, organisaties die zich effectief inzetten voor mensenrechten of milieuproblemen, maar ook vaak nauwe banden onderhouden met Amerikaanse en Britse ambassades. De Russische FSB meldt in 2006 dat, van de duizenden NGO's in Rusland, slechts 92 volledig autonoom werden bevonden. Andere NGO's bleken fondsen te ontvangen van Amerikaanse of Britse ambassades.(6) Recent brak nog een schandaal uit toen bleek dat Britse diplomaten in Moskou aan spionage deden.(7)
Tijdens mijn eerste kennismakingsgesprek in het Brusselse kantoor van Bellona was me inderdaad een benauwd gevoel overkomen. Je moest er door een drukkerij lopen om de Bellona-kantoren te betreden. De twee zetelende employées hadden iets intelligent en gedreven over zich, maar hadden helemaal niet de uitstraling van ecologische lobbyisten. Tot daar geen probleem: ikzelf beschouwde mezelf evenmin als ecologisch extremist -- eerder als een bruggenbouwer die over het milieu met de politieke en bedrijfswereld wou gaan samenwerken.
Naarmate ik echter op meer nieuwe informatie stootte over het verleden van Bellona in Rusland ging mijn mening over deze stageplaats zienderogen veranderen. Wat onrustbarend werd, was dat die Russische informatie perfect gerijmd kon worden met het lokale profiel van het Bellona-kader, met het reilen en zeilen van Bellona in de Europese hoofdstad. Het kantoorinterieur zelf, om te beginnen, liet al weinig aan de twijfel over: de lokatie, in de achterkamer van een Elsense inktdrukkerij, leek wel uit een film noir te komen, ware het niet dat dit eerder een discreet dekmantelgevoel achterliet.
Wat des te meer moeilijk te verklaren viel, was de vaststelling dat door het trio Bellona-leden volstrekt geen plastic of papier gerecycleerd werd; er kwamen evenmin ecologische tijdschriften binnen met de post; diplomatieke magazines lagen er daarentegen wel op tafel. Het had een sfeertje over zich dat niet klopte.
Inhoudelijk schortte wel wat aan de NGO. Er werd schamper gedaan over de
groene parlementsleden. Toen ik vroeg naar de fondsen waarmee Bellona haar werk deed, kwam als
antwoord dat de NGO zo'n 3000 bijdragende leden telt (ben er nooit één
tegen gekomen) en de touwtjes aaneenknoopte via administratieve
donaties. De ecologische plannen van Bellona waren heel ontypisch voor een ecologische drukkingsgroep. Bellona-plannen om bv. de industriële CO2-uitstoot
te beperken leken recht uit de jaarstrategie van de
oliebedrijven te komen. Dat Bellona een hoofdkantoor in Washington DC bezit, vervolmaakt het plaatje.
Europa fungeert sinds jaren als het speelveld van allerlei bedekte operaties door inlichtingsdiensten, van infiltraties over afluisterpraktijken tot opgezette terreuracties. In 1996 brak nog een schandaal uit toen bleek dat Amerikaanse bedrijven van hun routertechnologie hadden gebruik gemaakt om informatie uit het Europees Parlement door te sluizen naar de CIA.(8)
De aanwezigheid van externe inlichtingsdiensten dateert natuurlijk uit de Koude Oorlog, toen het Europa aan beide kanten van de Berlijnse Muur een echt wespennest van klandestiene operaties en spionage vormde. Die strijd tussen communisme en kapitalisme zou de tweede helft van de twintigste eeuw blijven overheersen. De bloedige Gladio-operaties van de CIA tijdens de jaren '70 en '80 om Europese politieke administraties te verrechtsen moesten een nakende communistische revival op het oude continent afremmen. Volgens Olav Gordievsky, een Deens KGB officier, blijkt dat de KGB Italiaanse, Spaanse en Franse communistische partijen financierde, en zich via medeplichtige agenten in de Europese instellingen trachtte te nestelen om Europa verdeeld te houden. Robert Dougal Watt, een auditeur van het Europese Rekenhof, achtte zichzelf in levensgevaar toen hij de infiltratie van de Europese instellingen door allerlei machtsgroepen wou aanklagen. (9)
Daar kan ik intreden. Het riskante aspect van deze stage voor mij, was dat ik tijdens dezelfde periode een webstek over de Central Intelligence Agency onderhield -- een webstek die nogal wat bezoekers genoot. Het zou geen gelukkige combinatie blijken met mijn werk in deze NGO. Toen ik kwansuis en eerder gekscherend liet uitschijnen dat Bellona volgens mij wel eens een spionagebedrijf zou kunnen zijn, kwam dit ter ore van het Bellona-kader. Door mijn profiel als CIA-onderzoeker, alsook door mijn betrokkenheid bij de groene partij en bij andere milieu-NGO's, ontstond een vervelende situatie.
De volgende lugubere zijanekdote doet uitschijnen hoe ernstig Bellona haar werk in zo'n geval opvat. De jonge milieu-activist Runar Forseth, één van Bellona's Noorse werkkrachten, overleed in 2003 aan een plotse hartstilstand. Hij droeg tijdens
zijn leven volgens een Brussels Bellona-kaderlid een pacemaker. Een doodsbericht voor de overledene op de Bellona website liet bovenaan lezen (mijn vertaling, nvda): "Eindelijk was hij alleen, met niemand rond hem." Een openingszin met vrij schokkende ondertoon. In april 2004, kort nadat ik mijn verbazing had geopperd over de vreemdheid van een dergelijk overlijdensbericht (doch hierover nooit met het Bellona-kader had gesproken), werd deze zin geschrapt en werd een nieuw beginstuk voor het artikel verzonnen en gepubliceerd.(10)
Na een maand heb ik deze NGO verlaten. Want ik heb geen zin om Runar Forseths weg op te gaan.
Verkiezingen in België: het einde van de democratie?
door Thomas Deflo, 27/05/2006, Antwerpen
Het wordt steeds duidelijker dat zich overal ter wereld bij verkiezingen 'onregelmatigheden' voordoen.
Noem ze maar fraude. Dat werd in 2004 en ook dit jaar vastgesteld bij gemeenteraadsverkiezingen in Lancashire, Birmingham, Bristol en elders in Engeland.
Wat in deze klassiek voorbeeldige democratie kan gebeuren, is een
betreurenswaardig specimen van fraude op het Europees vasteland.
Door de mazen van het medianet sijpelden namelijk ook berichten dat er fraude was gebeurd bij gemeenteraadsverkiezingen in Nederland.
Vervalsingen spreiden als een plaag over heel het Europees continent.
In 2004 spreken Roemeense NGO's van een potentiëel massieve verkiezingsfraude.
Naar het voorbeeld van de memorabele Amerikaanse presidentsverkiezingen
van 2001, blijken ook bij ons stemmen via de post potentiëel
het meest frauduleus te zijn. Meer daarover blijkt uit dit onderzoek
van het Brits Hooggerechtshof -- er wordt gesproken van genoeg fraude
om een volledige verkiezing 'te stelen'. Dat schijnt ook tot delen van
de Britse regering
door te dringen.
Andere departementen moeten echter in die fraude
hebben meegespeeld. En daar knelt het schoentje.
Binnenlandse Zaken controleert
normaliter de verkiezingsprocedure.
Iedereen herinnert zich nog
het débacle in de Italiaanse
parlementsverkiezingen van 2006, toen ongetelde stembiljetten bij het vuilnis
belandden. Voormalig Premier Berlusconi had toen stevig de teugels van
de binnenlandse diensten in handen. Hoe kan
het dat in Europa, in de bakermat van de democratie, zo'n fraude
heerst? Hoeveel fraude speelt zich af buiten ons weten? En vooral: wie pleegt die fraude?
Verkiezingsfraude is niet zomaar een geïsoleerde kwaal van onze 21ste-eeuwe democratieën. De vervalsing gebeurt niet sporadisch of lokaal, door individuen of politieke partijen. Uit historisch onderzoek blijkt dat geheime diensten er systematisch in geslaagd zijn democratieën bij te sturen. Dit niet enkel in 'bananenrepublieken'; het is een mythe dat westerse landen immuun zouden zijn voor grootschalige verkiezingsfraude. Toch kunnen we veel leren uit onderzoek dat gebeurd is van verkiezingsoperaties in landen waar de inmenging door de inlichtingendiensten duidelijk aanwijsbaar was.
België is allerminst immuun voor stemvervalsing.
De introductie van het
automatisch stemmen doet daar weinig goed aan. Wat in het Belgisch
stemhokje
gebeurt is onomwonden boerebedrog: het afdrukken van een
individueel confirmatiebiljet met je stem op laat wellicht een sussende
bedoeling achter bij de stemmer, maar is totaal irrelevant op
controlegebied. Want het hart van de
fraude gebeurt vermoedelijk daarna,
op een andere plaats: daar waar de
stemmen uit de stemcomputers verzameld, daadwerkelijk opgeteld
en vervolgens meegedeeld worden (gewoonlijk in het
gemeentehuis). Dit optelsysteem is opvallend vatbaar voor inmenging.
Omdat:
dat systeem volledig losstaat van de eigenlijke stemcomputers
dit procédé achter gesloten
schermen gebeurt, afgeschermd van elke externe controle
het optelsysteem door partijdige adminstraties wordt gedaan.
Het totale gebrek aan transparantie, alsmede de partijdigheid van de
verantwoordelijken van dat optelprocédé, kon ik persoonlijk
gewaarworden als toezichter tijdens de
meest recente federale parlementsverkiezingen. Nu de Belgische
gemeenteraadsverkiezingen naderen graag de volgende herinnering... aan
de onwettige gebeurtenissen van 18 mei 2003 in het optelbureau van Schaarbeek.
In België wordt de hele stemketen, bij koninklijke wet,
gecontroleerd door Binnenlandse Zaken. Onder het mom van ‘veiligheid’
wordt de stemoptelling helemaal onttrokken van extern, parlementair
overzicht. Tijdens de verkiezingsdag van 18 mei 2003 nam ik dit persoonlijk waar als
officieel afgevaardigde voor de groene partij Agalev in de gemeente
Schaarbeek. Schaarbeek is één van de grootste kieskantons in België.
Partijafgevaardigden werden niet toegelaten de telling te
observeren: het was strikt verboden de kamers te betreden waar zich
het telproces afspeelde. Waarom? Partijleden moesten simpelweg wachten op een
blad papier met de vermoedelijke resultaten op.
De aanwezige
administratie, waaronder niet op zijn minst de zetelende rechter, waren
zo ver verwijderd van enige neutraliteit als maar kon -- victorie
kraaiend bij het ‘lezen’ van de resultaten van de partij van hun
voorkeur. Ik was stomverbaasd om te zien hoe duidelijke
partijsympathisanten verantwoordelijk waren voor het tellen van de
stemmen.
Gelukkig is er een laatste hoop voor een partijgetuige
om enige impakt te hebben op het stemsysteem: hij kan zijn opmerkingen
laten noteren in een officiëel document, dat door de partij, indien
gewenst, kan gebruikt worden om protest aan te tekenen en een
hertelling te vragen. Dit officiële document is het zogenaamde
Proces-Verbaal. Op het einde van deze heuglijke 18 mei weigerde de rechter het document op te maken.
Deze
verbazende weigering om het Proces-Verbaal op te stellen was niet
enkel in overtreding met de correcte verkiezingsprocedure, het was
kortweg frauduleus. Het PV is een fundamentele vereiste om de
verkiezingsdag te legitimeren. Zonder het door de partijgetuige
ondertekende document kan een politieke partij onregelmatigheden in de
verkiezingsprocedure niet aanvechten. Maar de rechter weigerde met
al haar macht om het document op te maken; ze weifelde, ze loog, ze
deed alsof een officieus blaadje papier het Proces-Verbaal was, ze
maakte aanstalten om het bureau onverrichterzake te verlaten...
Waarom ? Het was duidelijk dat het PV ten allen koste moest vermeden
worden. Toen ik uiteindelijk het partijhoofdkwartier van Agalev belde om versterking, wist de rechter niet beter dan
politieagenten te bevelen me uit het gebouw te escorteren. Dit was een
finaal en nogal schokkend bewijs dat er iets belangrijk verborgen werd,
vermits niets zo’n ingreep kon wettigen.
Uiteindelijk
bleek dat de groene partij
Agalev verpletterd werd in de Belgische verkiezingen.
De
ecologische partij verloor twee derde van haar kiespubliek en
al haar zetels in het federaal parlement. Ook haar Waalse tegenhanger moest een significant verlies optekenen en werd van een invloedrijke politieke speler tot een kleine parlementaire partij gereduceerd.
Net zoals in de V.S. stemmen Belgen
voornamelijk via toetsschermmachines. De stemmers krijgen magnetische kaarten die in de gleuf
van de stemmachine moeten worden gestoken. De kaarten registreren de
stem, worden uit de machine gehaald en worden teruggebracht naar de
lokale stembureaucomputer, die alle kaarten inslikt en schijnbaar hun
resultaten op een floppy disk registreert. Na sluiting van het
stembureau worden alle floppy disks van alle stembureau’s dan
gecentraliseerd in het lokale gemeentehuis om er achter gesloten
schermen behandeld te worden. Dit systeem, zo is in de Amerikaanse verkiezingen ruimschoots aangetoond, is opvallend vatbaar
voor fraude.
In de kleinere, landelijke streken waar met papier gestemd wordt, moeten stemresultaten per telefoon naar de
(partijdige) centrale provinciegouverneur worden meegedeeld, die dan
hun ‘correctheid verifiëert’ en het uiteindelijke resultaat aan de
partijleden meedeelt. De keten van de stemoptelling is zo geperforeerd
en ontransparant dat fraude simpelweg één van de onderdelen moet
binnensijpelen om succesvol te zijn.
Goede timing om de publieke opinie te beïnvloeden: de
verkiezingen van 18 mei 2003 werden voorbereid door
een vreemde poll in een conservatieve krant, zowat één week voor de
stemdag. Plots, als
bij donderslag,
indikeerde deze De Standaard-VRT poll minder dan 5% van het stemaandeel
voor Agalev (nl. 4,9%), op basis van een statistisch weinig
overtuigende sample vaneen duizendtal opgebelden. Iedereen sprong
op de kar om deze poll als bron van waarheid te bestempelen -- slecht
nieuws doet het immer beter dan goed nieuws. Dat alle andere polls voor de groenen tot boven de 8% hadden opgeleverd werd vlot vergeten.
Een weekje later
werden de verkiezingen gehouden en zakte Agalev inderdaad net onder de kiesdrempel. De partij moest het parlement en dus ook de regering
verlaten. Het betekende het einde van een progressieve, linkse maar vooral groene Vlaamse
partij in de Belgische politiek. Het jaar daarop, in de verkiezingen van 2004 voor de Vlaamse
regering, klom Agalev op mirakuleuze wijze weer naar bijna 8% van de
Vlaamse stemmen (7,6%). Zou je voor de Vlaamse parlementaire verkiezingen ook geen +/- 5%
hebben verwacht? Hoe kon het dat de Vlaamse publieke opinie plots dubbel zo veel voor Agalev stemde dan de Belgische kiezers in 2005?
...
Voor een persoonlijker toedracht verwijs ik u graag naar het volgende artikel op de VoorEva Website.
Het bevat de uitwerking van de hypothese (voor mij een zekerheid
geworden) dat de Staatsveiligheid inderdaad, onder Amerikaanse impuls,
in België een propaganda-operatie tegen de groenen heeft op poten
gezet, en vervolgens een
verkiezingsfraude heeft georganiseerd. Met als doel zogenaamd
extreem-linkse partijen uit de Westerse politiek te
weren. Op 18 mei 2003 werd vooral Agalev daarvan het slachtoffer.
Het is natuurlijk moeilijk te bewijzen, maar wie de
lijn doortrekt kan enkel besluiten dat de Staatsveiligheid een
dergelijke bijpassing kon forceren. We moeten goed begrijpen dat
de Staatsveiligheid veel meer doet dan wat in de media terecht komt (en
dat zijn dan meestal zogenaamde blunders). Er is de theatrale façade, en er is het echte vuile werk. Wie de geschiedenis van de
illegale acties door de Staatsveiligheid erop na slaat, kan merken dat
deze veiligheidsdienst zijn boekje telkens te buiten ging tijdens
periodes waarin het gedomineerd werd door uiterst rechtse,
conservatieve of streng neoliberale personen. En wie nog verder kijkt,
weet dat deze verandering telkens werd uitgevoerd tijdens de regeringen Reagan-Bush (1981-1993).
Overal ter
wereld zorgden
deze administraties ervoor dat ze voet aan huis kregen bij buitenlandse
inlichtingendiensten. Het was hun toegangspoort om een lange reeks
klandestiene operaties uit te voeren. Daarvoor werden veelvuldig
personen geronseld voor wie de eigen ideologie primordiaal is, voor wie
de eigen visie absoluut de enige juiste is. Personen die bereid zijn
buiten de lijntjes te kleuren om deze visie politiek door te drukken en
het democratische beslissingsprocédé even op koud ijs te zetten. Door gebeurtenissen die na
18 mei optraden, bleek dat er meer aan de hand was. Wanneer
je dreigtelefoontjes krijgt en geschaduwd wordt, rest
weinig twijfel dat een bepaalde officiële instantie bij de verkiezingen
gemoeid moest
geweest zijn.
24-05-2006
Terreur onder valse vlag: van Gladio tot Irak
De treinaanslagen in Madrid van 11 maart 2004 eisen 200 mensenlevens. In een videoboodschap die enkele dagen later wordt aangetroffen (foto) eist een onbekende terreurgroep verantwoordelijkheid op voor de terreur. Bij de planning van de aanslagen werd echter betrokkenheid van Rafa Zouhier en Emilio Suarez Trashorras aangetoond, twee Spaanse geheimagenten die in explosieven gespecialiseerd zijn.
In de klassieke maritieme oorlogsvoering was het varen onder valse vlag een veelgebruikte strategie. Schepen hesen andermans vaandel om ongemerkt een vijand te benaderen. Of om aanslagen te plegen op onschuldige konvooien, aanslagen die van een externe partij leken te komen. Waardoor deze laatste kon worden gedemoniseerd en tot militair doelwit worden uitgeroepen.
Het aannemen van de kleuren van de tegenstander wordt in de twintigste eeuw volop door militaire denktanks overgenomen en verfijnd. Via klandestien georganiseerde terreur en navenante mediacampagnes wordt een vijand verdacht van de geweldpleging, waardoor de eigen regering publieke legitimiteit krijgt om tegen die vijand ten oorlog te trekken. De daadwerkelijke organisatie van de terreur -- binnen de terreurgroep of achter de schermen -- is afkomstig van inlichtingen- of gespecialiseerde politiediensten.
De voorbije decennia tracht een dergelijke campagne van terreur onder valse vlag de weg te openen naar Westerse geopolitieke dominantie. Gladio betrof een geheim Europees netwerk dat na de Tweede Wereldoorlog onder NATO-voogdij dergelijke false flag-operaties hield. Tijdens de Koude Oorlog specialiseerde het netwerk er zich in de schuld voor zelf opgezette terreuraanslagen op de communistische vijand te schuiven. Verknocht aan deze dialectische strategie, werden dergelijke onfrisse gewoonten weer opgerakeld nadat het communisme al op de knieën was gedwongen. Tijdens de jaren tachtig organiseerden CIA-agenten door heel Europa terreurcampagnes die van een communistische vijand leken te komen. Zo konden de Verenigde Staten legitimiteit winnen om in te grijpen en ten strijde te trekken tegen elk overblijvend rood gevaar. Daarom werd dit netwerk ook 'stay behind' genoemd: nazinderende linkse sympathieën in Europa moesten voorgoed ontmoedigd worden[1].
Eind jaren tachtig - temidden de tumultueuze rakettencrisis - werden dergelijke acties vooral in België weer opgekrikt. Via 'linkse' terreur (de CCC) en 'zinloos' geweld (de Bende van Nijvel) poogde het vernieuwde Gladio-netwerk de bevolking in een rechtse, meer pro-Atlantische richting te duwen, meer precies om een Amerikaanse nucleaire defensie tegen de USSR op Belgische bodem te kunnen concretiseren. Gelijkaardige operaties vonden plaats van Turkije over Italië tot in Duitsland. De valse vlag-strategie werd immers ook als noodzakelijk euvel gezien om burgers ervan te overtuigen dat Amerikaanse bescherming voor Europa onmisbaar was. Dat tientallen tot honderden mensen bij die aanslagen het leven lieten, was volgens de VS-doctrine gewettigd.
De valse vlag-operaties worden voorafgegaan door een periode van infiltratie en indoctrinatie. In de praktijk betekent dit dat extremistische groeperingen geïnfiltreerd en zelfs gecommandeerd worden door agents provocateurs -- clandestiene agenten die poseren als extremisten of fundamentalisten, maar eigenlijk via achterpoortjes op Amerikaanse, Britse of Israëlische loonlijsten staan. Deze agenten dienen als trekpleister om nietsvermoedende terreurkandidaten te ronselen en hen ertoe aan te zetten aanslagen te plegen. Indien het aan kandidaten ontbreekt organiseren de agenten desnoods zelf de bloedbaden en zorgen ze ervoor dat de sporen dan naar hun rekruten leiden.
Vandaag is het vechten onder valse vlag weer helemaal terug van weggeweest. In een De Morgen-artikel over Gladio besluit journalist Georges Timmerman:
"In het licht van de nieuwe oorlog, dit keer tegen het moslimterrorisme, blijft de geschiedenis van Gladio wel bijzonder leerzaam en relevant" [2].
Het is duidelijk dat, na de communisten, de Islamwereld de nieuwe vijand is in de ogen van de Amerikaanse rechterzijde. Omdat de neoconservatieve, zeg maar reactionaire Amerikaanse 'realisten' ervan overtuigd zijn dat de Islamcultuur de Westerse cultuur bedreigt, maar vooral omdat de Islamwereld op het gros van de energiebronnen zit, moet de mensheid tot de visie gebracht worden dat moslims een groot gevaar voor de vrije wereld vormen. Er zijn voldoende aanwijzingen dat de Gladio-strategie daarvoor weer uit de kast wordt gehaald. De slachtpartijen die door terroristen sinds 2001 worden uitgevoerd, van Bali over Madrid tot Londen, vertonen telkens parallellen met de terreur onder valse vlag uit de jaren tachtig.
Zouhier en Trashorras, medeplichtig in de organisatie van de treinaanslagen in Madrid.
Een chronologisch overzicht.
De bomexplosie in een discotheek op het eiland Bali in 2002, met bijna 200 slachtoffers, werd verondersteld door de Jemaah Islamiah-groep te zijn gepleegd. De inspirator van deze groepering is Riduan Isamuddin, een figuur die net zoals Bin Laden door de Verenigde Staten werd gefinancierd tijdens de mujahedeen-strijd tegen de Russische bezetter in Afghanistan. De leiders van deze Jemaah Islamiah-groepering onderhouden sindsdien zekere banden met de Indonesische inlichtingsdienst, die volgens een rapport van het Indonesisch militair commando nauw met de CIA samenwerkt [3].
Mei 2003. De aanslag in Davao, op de Filippijnen, geeft nog meer aanwijzingen voor valse vlag-operaties. Een reeks aanslagen wordt in de schoenen geschoven van het zogenaamde Moro Islamitisch Bevrijdingsfront. Binnen het Filippijnse leger komen echter insiders naar voren die meer weten: er ontstaat een muiterij waarbij goedmenende soldaten naar buiten brengen dat het staatsleger en de Amerikaanse inlichtingsdiensten betrokken waren bij deze aanslag, alsook bij bombardementen op de eigen infrastructuur [4]. De Filippijnse verdenkingen worden gevoed door een bizar incident het jaar ervoor, op 16 mei 2002. Amerikaans staatsburger Michael Meiring laat per ongeluk explosieven op zijn hotelkamer ontploffen en raakt daarbij aan beide benen ernstig gewond. Nog voor hij goed en wel hersteld is wordt Meiring uit het ziekenhuis weggegrist door een duo dat zich volgens getuigen identificeerde als FBI-agenten en wordt hij naar Amerika overgevlogen. Men wacht in Davao nog steeds op zijn uitlevering [5].
Wie herinnert zich niet de terreur op de treinen in Madrid van 11 maart 2004, waarbij bijna tweehonderd doden vielen? Rafa Zouhier en Emilio Suarez Trashorras, de logistieke ondersteuners van de aanslag, waren mollen van de Spaanse veiligheidsdiensten. Zouhier was een informant voor de Unidad Central de Operaciones, en Suarez voor de Brigada de Estupefacientes [6+7]. De medeverdachten van de aanslagen - enkele Marokkanen en Tunesiërs - komen op 3 april 2004 om het leven tijdens een huiszoeking. De officiële versie is dat ze zichzelf opbliezen om aan arrestatie te ontsnappen. Drie kort daarop gearresteerde Marokkanen worden bij gebrek aan enig bewijs van betrokkenheid weer vrijgelaten. Anderen worden voor de rechter gedaagd in april 2006. Het onderzoek loop nog (de dato 7 augustus 2006). In de verkiezingen die op de aanslagen volgen zou het Spaanse volk de regering-Aznar wegstemmen.
Het meest recente voorbeeld van een soortgelijke infiltratie werd geleverd bij de aanslagen in Londen op 7 juli 2005. Het vermoedelijke brein achter de terreur, Rashid Aswat, werd uiteindelijk door onderzoekers als jarenlange informant van de Britse geheime dienst MI-6 ontmaskerd. Al-Masri, die fundamentalisten ronselde in Londense moskeeën, was jarenlang een NATO-troef in de oorlog tegen de Serviërs en had zelf verklaard regelmatig ontmoetingen te hebben gehad met dezelfde overheidsdienst [8, 9+10].
Sinds elf september 2001 dient de navenante terreur natuurlijk als hefboom om olie- of gasrijke gebieden te controleren. Van Afghanistan over Oezbekistan tot Irak en Indonesië worden kort na de aanslagen in New York verse Amerikaanse en NATO-troepen geïnstalleerd. Irak is vandaag het schouwspel van een koelbloedig volgehouden "strategie van de spanning". Een ontwikkelende broeihaard van terroristen is immers niets liever dan wat de Amerikaanse neoconservatieven willen. Daarvoor wemelt het in Irak van de dubbelagenten die, onder het mom van islamterreur, de ene na de andere bomactie op poten zetten [11]. Het geval Musab al-Zarqawi is een interessant voorbeeld: net als Osama bin Laden was hij een jihadist die tegen de communistische USSR vocht in Afghanistan... en dus evenzeer op de CIA-loonlijst stond [12].
De zogeheten opstandelingen in Irak, een samenraapsel huurlingen uit de oude Baath-milities, worden aangespoord om guerrilla-gevechten met de Amerikaanse troepen op te zetten. De ongeregelde milities blijken door het Amerikaanse leger te worden bewapend [13]. Dezelfde Amerikaanse dialectische tactiek is herkenbaar: via de rebelse aanvallen kunnen demografische spanningen gecreëerd worden en kan het Amerikaanse leger ingrijpen in gebieden waar het Sjiitisch fundamentalisme te veel aan populariteit dreigt te winnen.
Aanvallen opzetten onder valse vlag is een truuk zo oud als de straat, maar wordt sinds de tweede helft van de twintigste eeuw door het Westers veiligheidsapparaat met veel verve gehanteerd. De false flag-strategie biedt de mogelijkheid de volksgemeenschap te overtuigen van een zeker gevaar, en aldus de noodzakelijkheid van politionele/militaire bescherming af te dwingen. In het achterhoofd van de inlichtingendiensten - vooral bij de talrijke extremistische elementen die er zich sinds 2001 in bewegen - speelt voortdurend de gedachte dat hun nut in een vredevolle wereld nihil is: ze hebben liefst vijanden, en om ons daarvan te overtuigen gaan ze een heel eind op gebied van mensenlevens.
Of al dat bloedvergieten ook de moeite loont, is betwistbaar. De moderne, vrijgevochten burger is beter ingelicht dan tijdens de vorige eeuw en doorziet de trucs van het spel. Bovendien valt de wereldgemeenschap minder makkelijk met geweld te chanteren. Ten derde luidt de vraag of de westerlingen inderdaad bereid zijn in de oog-om-oog-tand-om-tand logica van de inlichtingendiensten te stappen en een hele cultuur te diaboliseren... tot en met genocide-taferelen goed te dunken.
Dat de terreur onder valse vlag desondanks nog steeds als efficiënte strategie wordt gebruikt, heeft veel te maken met de rol van de Westerse massamedia, die helaas bijna even ver van neutraliteit zijn verwijderd als media onder totalitaire regimes, en zich eraan gewennen de waarheid secundair te vinden tegenover interne bedrijfsbelangen, overheidscontacten, en ideologie.
Philip Agee, ex-CIA agent, formuleert het als volgt (mijn vertaling, nvda):
"Van bij het begin van haar bestaan werd de CIA gebruikt om in het geheim tussenbeide te komen in de interne zaken van andere landen. Haast geen enkel land vormde daarop een uitzondering (...) Er was behoefte aan controle. De geheime Amerikaanse politiek bestaat erin niets aan het toeval over te laten, lees: aan de wil van het volk -- in welk land dan ook. Het volk moet onderricht worden, geleid worden, zodat het vatbaar wordt voor Amerikaanse controle. Controle was de sleutelterm. Niets werd gedaan uit altruïsme of idealisme" [14].
De scheepvaartstrategie van de valse vlag is eigenlijk een archaïsche militaire tactiek die enkel nog bij hoofde van geweldenaars legitimiteit bezit. Zelfs vanuit het standpunt van CIA, MI-6 en Mossad moet men zich toch de vraag durven stellen over de efficiëntie van dergelijke bloedbaden. Als methode om de moslims in een kwaad daglicht te stellen steekt het succes van één krantencartoon alvast schril af tegen de immer voortdurende bommencampagnes.
De vader van Hans Van Themsche
blijkt lid te zijn geweest van Voorpost, meer dan zomaar 'de ordedienst
van het Vlaams Belang'. De geschiedenis leert ons dat extreem-rechtse
netwerken -- inclusief schietgrage handlangers -- tijdens politiek
kritieke momenten werden ingeschakeld om de Belgische politiek te
chanteren. U zal zich ongetwijfeld het Front de la Jeunesse, WNP en
dergelijke herinneren.
We ondergaan sinds 2001 niet toevallig
een zelfde Atlantisch overwicht als tijdens de Reagan-Bush bewinden van
1981-1993. Toen fungeerde de NATO en in de praktijk de Central
Intelligence Agency als opdrachtgever voor onze Belgische
Staatsveiligheid. Diplomatie was nooit het sterke talent van deze
administraties, dat is duidelijk. De maffieuze alternatieven die werden
-- en nu weer worden -- gehanteerd om politieke beslissingen af te dwingen zijn minder geweten.
Onderstaande opfrissing is daarom aangeraden. Op 16 augustus 1983 komt de politie van Vorst tussenbeide in een ruzie tussen Marcel Barbier
en diens broer. Barbier staat met een revolver te zwaaien en burgers te
bedreigen - iets dat niet meteen legio is in de Belgische hoofdstad.
Tijdens het onderzoek betreden de politieagenten, na Barbier te hebben
gearresteerd, binnen in zijn woning in de Parmastraat, en vinden daar
iets verbijsterend: de agenten stoten tijdens de huiszoeking op een zak
met tientallen telexberichten waarop de vermelding 'NATO' en
'Confidential' staat, afkomstig uit het NATO-centrum van Evere.
Wat een routineklusje had moeten zijn, leidt tot de ontdekking van één
van de meest opvallende indicatoren dat de Bende van Nijvel zijn orders
kreeg uit de kringen van de Amerikaanse veiligheidsdiensten.
Barbier
gaf onder druk van het politieonderzoek de dag erna toe van lid te zijn
van het Front de la Jeunesse, een notoire militie met diepe
neonazistische overtuigingen en paramilitaire activiteiten. De van de
kook gebrachte Barbier voegde er aan toe van deel uit te maken van een
netwerk met machtige internationale organisatie, waarvan hij de naam
niet wou toegeven. Het lijkt aannemelijk dat hij daarmee de NATO of de
CIA bedoelde, de twee betrokken organisatorische reuzen, met de
gelijkende Gladio-strategie op het menu. Marcel Barbier maakte ook deel
uit van de nieuwe Westland New Post-groep, een overtuigd fascistische
organisatie opgericht door Paul Latinus en Christian Smets
- twee belangrijke agenten van de Staatsveiligheid. Latinus (die
zichzelf in 1981 tot maarschalk van de WNP had gekroond) was tijdens
zijn carrière in opdracht van de Staatsveiligheid vaak linkse en
pacifistische bewegingen geïnfiltreerd, en Christian Smets (die in de
WNP de rang van kolonel had) was jarenlang commissaris bij de
Staatsveiligheid. Beide zijn in het Bende- en CCC-dossier hevig
geïmpliceerd. De losbol Barbier gaf dat allemaal toe tijdens zijn
arrestatie, de morgen na het gênante voorval met zijn broer in Vorst.
Dat de Belgische Staatsveiligheid betrokken is in de organisatie van de moordende Bende-aanslagen staat welhaast buiten kijf. Jean Bultot
-- ongetwijfeld één van de leden van de Bende -- was ervan overtuigd
dat sommigen in de Staatsveiligheid betrokken waren bij de organisatie
van de Bende: toen Bultot in zijn schuiloord Paraguay werd verhoord,
preciseerde hij dat sommigen bij de Staatsveiligheid behoorden. Hij
voegde eraan toe, hoewel hem dat niet gevraagd werd, dat de
activiteiten van de CCC hetzelfde stramien volgden. Bij zijn terugkeer
in België was hij duidelijk minder rad van tong, en trok hij die
verklaringen weer in. Robert Beijer,
die ook bij de waarschijnlijke Bende-leden behoort, zou later onder
druk van het onderzoek gelijkaardige verklaringen afleggen. Hij zei
letterlijk: "Er moet een soort organisatie bestaan onder leden van de
Staatsveiligheid, de rijkswacht en de parketten. De aanslagen van de
CCC maakten naar mijn idee ook deel uit van een zelfde plan. Eén van de
schuilplaatsen van de CCC werd gehuurd door een broer van een lid van
de Staatsveiligheid."
Dit zijn slechts enkele concrete
indicaties van hoe de Westerse samenleving kan uitgehold worden door
ideologieën die macht als hoogste goed beschouwen, en er prat op gaan
over lijken te willen gaan om die machtsideologie kracht bij te zetten.
Via schijnterreur en ander zinloos geweld wordt beslissingsmacht
afgedwongen over bepaalde thema's die normaliter via een parlementair
procédé verlopen. De 'organisatie' waarover Beijer het heeft is dus een
fascistoïde bolwerk dat -- onder een aura van democratisering -- macht
vergaart om een extreem-rechtse ideologie af te dwingen. Vijanden zijn
respectief communisten, linksen, religieuze fundamentalisten,
ecologisten en iedereen die moreel tegen deze terreurmethodes in
opstand komt.
Vandaag is de achterliggende gedachte van deze 'organisatie' om:
het kapitalistisch economisch systeem te conserveren
te vermijden dat niet-kaukasische Europeanen een demografisch en cultureel overwicht verkrijgen binnen de Westerse samenleving
religieus fundamentalisme af te moedigen en neer te slaan.
Doelen die niet noodzakelijk tot
bloedvergieten moeten lijden. Maar toch gaat deze 'organisatie'
onvermijdelijk steeds weer die toer op. Onnodig: één cartoon in een
Deense krant bereikte vanuit rechts standpunt meer dan het dozijn
moordende bommencampagnes via infiltratie van terreurgroepen. Het
moslimfundamentalisme werd voor iedereen duidelijk toen internationale
protestacties het islamitisch gebrek aan vrijdenken blootlegden.
Indien
het de bedoeling is het Westen te vrijwaren van niet-Europese
invloeden, kan dat best door een strenge migratiefilter te organiseren.
Op politieke wijze dus. Maffieuze praktijken, inclusief moord, als
strategie van de spanning, doen de Westerse samenleving steeds meer
opschuiven naar de stalinistische en fundamentalistische regimes
waarvan we überhaupt bespaard wensen te blijven. Deze praktijken zijn
kostelijk op het gebied van mensenlevens en hun efficiëntie is onzeker.
Wat dan overblijft is de pathologie van hun daders.
---------------------
Bronnen:
Jan Willems (ed.), Gladio,
EPO, 1991.
Jos Van der Velpen, De CCC: de staat en het terrorisme, EPO, 1988.
Hugo Gijsels, Netwerk Gladio, Kritak, 1991.
David Hoffman, A strategy
of tension, The Oklahoma City Bombing and the Politics of Terror, Feral
House, 1998.
Google search Gladio
WNP
Na WOII werden door het Amerikaanse CIA (Central Intelligence Agency)
zogenaamde 'stay behind' groepen op poten gezet, die binnen de NATO (North Atlantic
Treaty Organisation) moesten waken over de Amerikaanse invloed in Europa, en
communistische/linkse bewegingen moesten counteren indien deze te veel invloed
zouden krijgen. Aldus moest de Amerikaanse invloed op het wereldgebeuren, vooral tegen de invloed van Rusland, in
Europa intact gehouden worden. Deze 'stay behind'-groepen werden geconstrueerd
in het noorden in de Scandinavische landen; in het zuiden in Griekenland en Italië; in Duitsland, en gezien
zijn pivotale rol kon België niet achterblijven. De Europese groepen kregen de Italiaanse naam
'Gladio' of 'zwaard', een klassiek politiek fascistisch symbool.
Slechts weinigen binnen de Belgische
regering waren van het bestaan van de Gladio-netwerken op de hoogte. En de
geheimhouding was absoluut. Aldus Eerste Minister Wilfried Martens tijdens een
persconferentie op 9/10/1990: "Ik ben al elf jaar premier, maar ik wist
hoegenaamd niets van het bestaan in ons land van zo'n geheim netwerk."
Toenmalig Defensieminister Guy Coëme voegt eraan toe: "Natuurlijk is het
abnormaal dat ik bij mijn ambtsaanvaarding niet ben ingelicht over dit netwerk.
De Koude Oorlog is al lang voorbij en de recente gebeurtenissen in de landen
van het Oostblok tonen overduidelijk aan dat zo'n geheim netwerk volkomen
achterhaald is. Het is een anachronisme dat best kan worden opgedoekt."
Het Agalev-parlementslid Hugo Van Dienderen voelt nattigheid: "Dat geheime
netwerk deed meer dan zich voorbereiden op de strijd tegen een communistische bezetter.
(...) Medewerkers ervan probeerden de vredesbeweging te infiltreren. Bepaalde
Amerikaanse groepen zochten toen contact met hen. (...) Een voormalige
directeur van de CIA laat er geen twijfel over bestaan dat hun
inlichtingendiensten aan de basis liggen van de netwerken." Zoveel werd
inderdaad toegegeven door William Colby, ex-directeur van de CIA, in zijn
autiobiografie. Het bestaan van de Gladio-groep wordt bovendien in dezelfde
periode erkend door de Italiaanse regeringsleider Giulio Andreotti. Deze geeft
toe dat de militaire diensten van de NATO dergelijke operaties al lange tijd in
stand houden, en dat deze groepen zich laten financieren door de CIA.
S t r a t e g i e
Doorheen de praktische resultaten van de Gladio-netwerken voltrekt zich een
lang spoor van zinloos bloedvergieten, dat enkel bij hoofde van de
wereldvreemde en gevoelloze Amerikaanse veiligheidsdiensten een vlaag van
legitimiteit kan bezitten. Zo valt
in het rapport van de Italiaanse geheime diensten over Gladio te lezen: "De reactie
moet op twee parallelle methoden berusten: de psychologische actie en
terrorisme. Zo'n reactie wordt gedefiniëerd als de contra-revolutionaire
oorlog." Met andere woorden, hier komt het op neer: hou de bevolking
onderling verdeeld, angstig en onzeker, zodat zij vervolgens de noodzaak van
sterke veiligheidsdiensten beter zou appreciëren, en vooral: zodat zij
vrijwillig de volkssoevereniteit aan het staatsapparaat zou afstaan. In 1968 wordt op Sardinië een NATO-basis ingericht, in de Marrargiukaap,
waar de eerste groepen anti-communistische agenten tijdens het komende jaar
worden opgeleid. Ze worden gedrilld in propaganda, desinformatie,
guerillatechnieken en sabotagedaden. De handtekening van de CIA is duidelijk.
In de zalen van het trainingscentrum hangen borden met de leuze 'Ik dien de
vrijheid in stilte'. Er wordt geschat dat er op zes jaar tijd niet minder dan
4000 Europese agenten hun opleiding voltooien. In de Italiaanse
onderzoekscommissie naar terrorisme zal later het bestaan van de basis erkend
worden, en zal een document opduiken van het Amerikaanse Department of Defense
uit 1970, ondertekend door Generaal Westmoreland, stafchef van het Amerikaanse
leger, dat de precieze Gladio-strategie beschrijft. De strategie
bestaat erin van via nationale veiligheidsdiensten zowel acties van
extreem-linkse als van extreem-rechtse groepen op poten te zetten, teneinde de
publieke opinie duidelijk te maken dat de communistische ideologie enkel met
militaire middelen kan gecounterd worden. In het document staan de volgende
aanbevelingen: "In tal van landen hebben de superieuren de conservatieve
strekking, omwille van hun familiale afkomst of omwille van hun opvoeding.
Daardoor zijn ze bijzonder ontvankelijk voor de antirevolutionaire doctrine. De
geheime diensten van het Amerikaanse leger moeten over de middelen beschikken
om special operations te starten die de regering en de publieke opinie
overtuigen van de noodzaak tot actie. Ze moeten trachten de opstandige milieus te infiltreren en met de meest
extreme elementen speciale acties op te zetten." De paranoïa van de
Amerikanen is te snijden, want in het geval dat de Europese regeringen het
communistische gevaar niet erkennen, "moeten de groepen tot de actie
overgaan op een al dan niet gewelddadige manier, naargelang het geval."
Tenslotte staat er: "Indien de infiltratie in de revolutionaire kringen
niet geslaagd is, kan de manipulatie van extreem-linkse organisaties het
vooropgestelde doel toch verzilveren."
Het Italië van 1969 zou een perfect voorbeeld voor de komende terreur in België worden. In de loop van
dat jaar wordt Italië door maar liefst 145 aanslagen geteisterd. Onschuldigen
verliezen het leven bij hopen. De SID (Servizio Informazione Difesa) jaagt
jarenlang achter linkse en anarchistische rebellen om de aanslagen op te
helderen. Tevergeefs. Uiteindelijk volgen onderzoekers de extreem-rechtse
piste, hetgeen in 1974 tot beschuldigingen leidt aan het adres van de directeur
van de staatsveiligheid zelf, generaal Miceli.
Vervolgens verschijnt, netjes volgens het Amerikaanse draaiboek, de
bloedige episode van de extreem-linkse terreur onder naam van de Rode
Brigaden (een zelfde clichéterm als de Cellulles Communistes Combattantes). Hun politieke moord op Aldo Moro in 1978, iemand met een progressieve, linkse overtuiging,
is verbazend, en sommige rechters verdenken openlijk betrokkenheid van de Italiaanse
staatsveiligheid in de aanslagen. Verder wordt bij bomontploffingen vastgesteld
dat explosieven worden gebruikt die enkel in militaire milieus voorkomen. Dat
wordt ook bevestigd door berouwvolle insiders. Generaal Maletti, die hoofd was
van de Italiaanse contra-spionage tussen 1971 en 1975, laat er in maart 2001
in een interview met de Britse krant The Guardian geen twijfels over bestaan:
"Those explosives may have been obtained with the help of members of the
US intelligence community, an indication that the Americans had gone beyond the
infiltration and monitoring of extremist groups to instigating acts of
violence. The CIA, following the directives of its
government, wanted to create an Italian nationalism capable of halting what it
saw as a slide to the left and, for this purpose, it may have made use of
rightwing terrorism. (...) I believe
this is what happened in other countries as well. Italy must clarify the mysteries of that time if it is to recover its national
dignity and sovereignty. Among the larger western European
countries, Italy has been dealt with as a sort of protectorate. I am ashamed to
think that we are still subject to special supervision."
Kortom, de hele
terreurgolf die Italië overspoelt past perfect in het Gladio-draaiboek. Dat
er een band is tussen de Italiaanse terreur en de CIA, zoals generaal Maletti aangeeft, stond al eerder bekend. In 1976 vindt een Amerikaanse onderzoekscommissie
over de CIA plaats, onder leiding van senator Pike.
Daarin valt te lezen dat de Amerikaanse ambassade in Rome een hoge functionaris
van de Italiaanse geheime diensten omkocht opdat een extreem-rechtse groep de
regering kon omver werpen en vervangen door een gunstiger regime. In 1983 publiceert
de Italiaanse inlichtingsdienst een studie over internationale wapenhandel.
Daarin staat te lezen dat, met toestemming van Alexander
Haig en Henri Kissinger (op dat
ogenblik adjunct en hoofd van de Amerikaanse National Security Council), de
Italiaanse staatsveiligheid in 1969 vierhonderd militaire officieren had gerecruteerd
voor de zogenaamde P2-loge. Later zou Richard
Brennecke, een ex-CIA agent, dat in een TV-interview bevestigen. De ex-agent
kan het weten, want hij heeft zelf binnen de cel gewerkt. Brennecke voegt er
aan toe dat de Amerikaanse regering maar liefst 10 miljoen dollar per maand
aan de operatie uitgaf. "We hebben de loge gebruikt (...) zodat in de jaren
'70 het terrorisme kon uitbarsten in Italië, en in andere landen. Deze loge
is nog steeds actief."
In 1980 vielen
met de bloedige bomaanslag in het treinstation van Bologna 85 slachtoffers.
Het onderzoeksteam naar de aanslag formuleert, na jaren dwarsboming door de
staatsveiligheid, pas in 1986 zijn conclusie: dat in Italië een private structuur
bestaat van militairen en gelijkgestemde burgers met als doel in te werken op
de democratie via ondemocratische middelen. De groep bedient zich onder meer
van terreur via neofascistische organisaties. "Het is een soort onzichtbare
regering, waarin de loge P2, bepaalde afdelingen van de geheime diensten, de
georganiseerde misdaad en het terrorisme nauw verbonden zijn," besluiten de
rechters. "Een duistere groep met extra-institutionele banden heeft jarenlang
in ons land geopereerd met als doel de politieke conditionering van de democratie
en de persoonlijke macht te verwerven. Om zijn doelstellingen te verwezenlijken,
maakte deze groep gebruik van het terrorisme."
Essentiëel was de getuigenis van Vincenzo Vinciguerra, een lid van de neofascistische Avanguardia Nazionale, die in 1984 letterlijk tot de onderzoekers zei: "We moesten burgers aanvallen, gewone mensen, vrouwen, kinderen, onschuldigen, onbekenden ver van elke politieke betrokkenheid. De reden was eenvoudig: het was de bedoeling de mensen, het Italiaanse publiek, de staat, om meer veiligheid te doen vragen. Dit is de politieke logica die achter alle slachtpartijen en bomcampagnes lag die onbestraft blijven, omdat de staat zichzelf niet kan veroordelen of zichzelf verantwoordelijk verklaren voor wat gebeurd is."
B e l g i ë
Op 16 augustus
1983 komt de politie van Vorst tussenbeide in een ruzie tussen ene Marcel
Barbier en diens broer. Marcel staat met een revolver te zwaaien en burgers
te bedreigen - iets wat niet meteen legio is in de Belgische hoofdstad. Tijdens
het onderzoek treden de politieagenten binnen in Barbiers woning in de Parmastraat,
en vinden daar iets verbijsterend: de agenten stoten tijdens de huiszoeking
op een zak met tientallen telexberichten waarop de vermeldingen 'NATO' en 'Confidential'
staan, afkomstig uit het NATO-hoofdkwartier in Evere. Wat een routineklusje
had moeten zijn, leidt tot de ontdekking van één van de meest opvallende indicatoren
dat de Bende van Nijvel zijn orders kreeg uit de kringen van de Amerikaanse
veiligheidsdiensten.
Barbier gaf onder druk van het politieonderzoek de
dag erna toe van lid te zijn van het Front de la Jeunesse, een notoire militie
met diepe neonazistische overtuigingen en paramilitaire activiteiten. De van
de kook gebrachte Barbier voegde er aan toe van deel uit te maken van een netwerk
met machtige internationale takken, waarvan hij de naam niet wou toegeven. Het
lijkt aannemelijk dat hij daarmee de NATO of de CIA bedoelde, de twee betrokken
organisatorische reuzen, met de gelijkende Gladio-strategie op het menu. Marcel
Barbier maakte ook deel uit van de nieuwe Westland New Post-groep, een overtuigd
fascistische organisatie opgericht door Paul
Latinus en Christian Smets --
twee belangrijke agenten van de Staatsveiligheid. Latinus (die zichzelf in 1981
tot maarschalk van de WNP had gekroond) was tijdens zijn carrière in opdracht
van de Staatsveiligheid vaak linkse en pacifistische bewegingen geïnfiltreerd,
en Christian Smets (die in de WNP de rang van kolonel had) was jarenlang commissaris
bij de Staatsveiligheid. Beide zijn in het Bende- en CCC-dossier hevig geïmpliceerd.
De losbol Barbier gaf dat allemaal toe tijdens zijn arrestatie, de morgen na
het gênante voorval met zijn broer in Vorst.
Dat de Belgische Staatsveiligheid betrokken is in de organisatie van
de moordende Bende-aanslagen staat welhaast buiten kijf. Jean
Bultot klapte daarover uit de biecht: toen Bultot in zijn schuiloord
Paraguay werd verhoord, preciseerde hij dat sommigen van de Bendeleden bij de
Staatsveiligheid behoorden. Hij voegde eraan toe -- hoewel hem dat niet gevraagd
werd -- dat de activiteiten van de CCC hetzelfde stramien volgden. Bij zijn
terugkeer in België was hij duidelijk minder rad van tong, en trok hij die verklaringen
weer in. Robert Beijer, die ook bij
de waarschijnlijke Bende-leden behoort, zou later onder druk van het onderzoek
gelijkaardige verklaringen afleggen. Hij zei letterlijk:
"Er moet een soort organisatie bestaan onder leden van de Staatsveiligheid,
de rijkswacht en de parketten. De aanslagen van de CCC maakten naar mijn idee
ook deel uit van een zelfde plan. Eén van de schuilplaatsen van de CCC
werd gehuurd door een broer van een lid van de Staatsveiligheid."
Het is een goed bewaard geheim dat de CIA buitenlandse inlichichtingsdiensten
onder haar paraplu tracht te brengen. Dat leidde overal ter wereld tot een ongeziene
golf van bloedige operaties in Zuid-Amerika, Azie, en Afrika, maar ook in Europa.
De neofascistische Gladio-netwerken zijn daarvoor aansprakelijk. Het doel is
van het Europese volk ervan te overtuigen dat links niet deugt, en dat de staat
meer orde en gezag nodig heeft om van de terreur gevrijwaard te bijven. Het
terrorisme in Italië en België wordt door de inlichtingsdiensten steevast in
de schoenen van extreem-links geschoven, terwijl het duidelijk is dat het veiligheidsapparaat
er zelf verantwoordelijk is. Deze 'strategie van de spanning', uitgedokterd
door de Amerikaanse National Security Council, en uitgevoerd met een heel netwerk
aan Europese handlangers, zal de geschiedenisboeken in gaan als één groot bedrog.
Dat zovele mensenlevens moesten sneuvelen om Europa van communistische invloeden
te vrijwaren, zal dan weer herinnerd worden als een grote schande.
---------------------
Ter nagedachtenis aan Hugo Gijsels (1950-2004) en Sergio Carozzo
(1959-2004), onderzoeksjournalisten over de Bende van Nijvel, mede als andere
dossiers over de inlichtingsdiensten. Beiden overleden hetzelfde jaar aan een
hartstilstand. Beiden waren alleen thuis.
De moord op de jonge Joe Van
Holsbeeck op 12 april 2006 en op Luna, Oulemata en Songul op
11 mei 2006 lijken
van een absurde zinloosheid. Van waar komt die plotse opwelling van
zinloos geweld -- temidden een relatief tolerante Belgische
samenleving, die een goede economische conjunctuur meemaakt en een
relatief stabiel politiek klimaat (althans qua aanschijn). Is het sterk
gemediatiseerd geweld op deze onschuldigen louter een reeks
toevalligheden?
Een plotse, eigenlijk onverklaarbare criminologische anomalie?
We
kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat de raciale teneur van deze
slachtpartijen niet uit de lucht komt gevallen. De mediatieke hysterie
en politieke ondertoon van de terreur in Brussel en Antwerpen worden
door de volgende personen gedeeld. Tijdens
het televisiedebat 'De Zevende Dag' van zondag 30 april 2006 meent Jos
Colpin (woordvoerder van het Parket van Brussel) dat de mediatieke
berichtgeving over de moord dan wel de moord zelf op
Joe van Holsbeeck van politieke recuperatie getuigt.
12 april 2006. De Poolse moordenaars in Brussel-Centraal
waren niet uit op
een diefstal, maar waren van plan iemand neer te steken, zo blijkt uit
interviews met de vader van Joe Van Holsbeeck.
Adam G. had het
moordwapen al klaar nog voor Joe werd aangemaand z'n mp3-speler af te
geven. De daden van de Poolse zigeuners zijn die van jonge moordenaars -- niet die van jonge dieven. Men stak niet om te
straffen, of uit woede, maar om te doden. Niet één maal, maar meerdere
malen deed het scherpe mes zijn werk, net zo lang tot Joe verbaasd op
de grond neerzeeg.
David G.; de oudere broer van messteker Adam G.,
belde meteen daarna met mededader Mariusz. De in Brussel verblijvende David G. wordt als opdrachtgever of go between beschouwd
voor de moord.
Vreemd dat hij toch vrijgelaten wordt -- hij zou minstens medeplichtig
zijn. Mijns inziens moet het onderzoek naar de moord zich op de invloed
van deze man concentreren. Adam G., die als twee druppels water op zijn oudere broer lijkt, houdt zelf opvallend genoeg zijn onschuld staande: hij zegt wel betrokken te zijn bij de moord, maar niet de moordenaar te zijn van Joe. Hij liet ook weten onder invloed van medicatie of drugs te hebben gehandeld.
Opvallend is de
nuchtere gelaatsuitdrukking van de daders, geregistreerd op de camera's --
'missie volbracht'. Voor een prul dat
amper een retourtje Warschau waard was werd op een uitgerekend publieke
plaats, vol toeschouwers en camera's, een gemediatiseerde steekpartij
gehouden.
Experten uit het strafrecht (o.a. Jos
Colpin
in de Zevende Dag van zondag 30 april 2006) menen dat
de moord zelf mogelijk een politiek motief heeft gediend. De buit was
inderdaad inferieur aan het
mediaeffect. Politici werden machteloos in de hoek gedrumd,
overgeleverd aan het politieapparaat. "Meer veiligheid!" klonk het
weer. Dat roept herinneringen op aan ouder raadselachtig geweld in onze
samenleving.
11 mei 2006. We schrijven een maand later. Weer zo'n vreemde misdaadpiek.
Ene Hans Van Themsche trekt een
bloedspoor door de straten van Antwerpen. Omdat
hij plots leed aan zinsverbijstering? Extreem-rechtse politici haastten
zich om Van Themsche als een gek te bestempelen teneinde de daders
fascistische achtergrond niet te moeten belichten. Media beschaamden
zichzelf door naar voor te schuiven dat pc-spelletjes de moorden zouden geïnspireerd hebben. Over de mysterieuze
schutterzegt auteur Tom Lanoye, Antwerps schrijver, in de uitzending
'Morgen Beter' van maandag 15 mei 2006 dat deze 18-jarige jongen
volgens hem tot een subcultuur behoort.
Van Themsche wist wat hij zou gaan doen. Iets -- of iemand -- had de
déclic geactiveerd voor zijn wrede gedrag en dat spookte door z'n hoofd. Precies die
voorbedachtheid had hem geënerveerd (een knagend geweten, voor de daad) en had hem aangezet tot dat buitensporige
rookgedrag: hij wist dat er een point of no return naderde en had
tegenover z'n internaat dus niets te verliezen.
Het schrijven van de
brief indiceert hetzelfde: voorbedenking. Bij de aankoop van het
jachtgeweer benadrukte de wapenhandelaar ten slotte hoe kalm en
alledaags Van Themsche zich gedroeg.
De dood van het2-jarige kindLuna noemde hij een
geval van 'op de verkeerde plaats en de verkeerde tijd'. Net zoals bij
de steekpartij in Brussel-Centraal ging het om een dader die goed wist wat er stond te
gebeuren; voorbereid was voor wat zou komen. De moorden in Brussel en Antwerpen zijn
daden die enkel door voorbedachtenis vallen te verklaren.
Hoewel de
media er alles aan deden om ons zoveel te doen slikken, was die vreemde
moordgolf tijdens de Belgische lente geen kwestie van roofmoord of nog
minder van psychotische opwellingen. Het waren terroriserende acties
met
een politieke inslag -- wellicht niet voor de beïnvloedbare
uitvoerders, maar wel zeker bij hoofde van de aanstekers
ervan. We zijn nog zo
ver niet, maar het klimaat van zinloze terreur uit de strategie van de spanning wordt herkenbaar.
Deflo Thomas Licentiaat Wijsbegeerte (VUB, 1996)
Opgedragen aan alle slachtoffers van politieke terreur