"Filesofie: een samenstelling van de griekse woorden voor wagenrij en voor wijsheid. Een beoefenaar van de filesofie wordt een filesoof of wagendromer genoemd." Anonymus.
Jarenlange files naar Brussel , uren in luchthavens, op de Thalys en in andere treinen gaven me de tijd om te filesoferen, jeugdherinneringen neer te pennen en gewoon wat te mijmeren. Die tijd is voorbij, nu zijn het jarenlange files rond Aalst en Wetteren, maar de pennevruchten blijven...
Martin Steelandt
Een goede column moet zijn zoals een minirokje:
kort genoeg om de aandacht te trekken
en lang genoeg om de essentiële inhoud te dekken.
(naar meester Wilfried Criquelion, speech naar aanleiding van 40 jaar oudercomité, Tollembeek 13 april 208)
Zeven jaar, toen we voor het eerst op vakantie trokken naar het buitenland. Naar Zwitserland, naar de bergen. Geen probleem voor mij, bergen, dat was mijn terrein. De Kemmelberg, de Rode berg, op jonge leeftijd had ik ze allemaal al overwonnen, Zwitserland werd dus een piece of cake. En wat nog leuker was: mijn nonkel en zijn koddige tante gingen ook mee. Tuurlijk was het zijn tante niet, wel zijn vrouw en mijn tante, maar voor een zevenjarige werd dit al snel “zijn” tante. Koddig was ze ook, want ze sprak toch zo grappig. Veertien dagen lang hoorden we ze speciale woordjes gebruiken, ze had een eigenaardig accent en ze zei alles drie, vier keer opnieuw, telkens met andere woorden, met synoniemen, tot ze zag dat we haar begrepen. Die tante heeft trouwens mijn hart veroverd want ze leerde me Nutella eten, en ik ben er nog steeds dol op. Het was een prachtvakantie: de bergen, de wandelingen hoog boven de laaghangende wolken, Nutella, en die lieve tante.
O ja, tante was Duitse.
Duits jaagt me dus helemaal geen schrik aan. Voor mij is die taal verbonden met positieve vibes. Met een veertien dagen lang durend taalbad. En met Nutella. Grappig toch om te zien hoe onze hersenen werken, Duits en Nutella, hoe komt een mens er op? Maar zo is het nu eenmaal, die twee dingen zitten diep in mijn hersenpan, onuitwisbaar, voor eeuwig en voor altijd met elkaar verbonden. Nu kregen we drie weken geleden een aanbieding om op extreem korte tijd een installatie uit te voeren in Duitsland, en gezien mijn affiniteit met die taal stelde ik me kandidaat. Pas op, ik moet wel eerlijk blijven: het was 30 jaar geleden dat ik nog een deftige Duitse conversatie had en daarom heb ik vooraf, uit alle zekerheid, een korte opleiding gevraagd, een nieuw taalbad. Het werd een tweedaagse, specifiek gerichte taalopleiding waarbij er vooral gewerkt werd aan de specifieke vakterminologie en aan het zo goed mogelijk vermijden van de klassieke Vlaamse fouten zoals het foutief of helemaal niet gebruiken van de nominatief, de genitief, de datief en de accusatief. Ik was al blij dat Duitsers geen vocatief en ablatief gebruiken, want dan zou het voor mij pas echt Latijn geworden zijn. Mijn taallerares had me wel gerustgesteld: in Duitsland moet je perfect Duits spreken, tenzij je expert bent in het een of andere vakdomein, dan wordt je heel veel vergeven. Dat heb ik ter plekke mogen ondervinden, ik ben een echte vakidioot.
Schwester.
Het was een van de eerste woorden die ik mocht horen. “Hello, I am Frau Schwester Dinges”, zei ze. Oef, een zucht van verlichting ontsnapte mij, Mevrouw Verpleegster Dinges sprak Engels, ik zou in het Engels kunnen werken, yes ! Bye bye nominatief, genitief, datief en accusatief ! Tot bleek dat ik brute pech had: ze kende alleen maar dat kleine zinnetje in het Engels. “Hello, I am Frau Schwester Dinges”. Nu eerst even terzijde: Dinges is natuurlijk haar echte naam niet, gehuwde vrouwen nemen in Duitsland automatisch de naam van hun echtgenoot aan. En meneer heet ook niet Dinges maar ik vond het net ietsje beleefder om hen anoniem te laten blijven. Verder hou ik niet zo van het cumuleren van aanspreektitels, en daarom liet ik die Herr- en Frau- en Schwester-ballast al snel achterwege. Het werd gewoon “Heidi” en “Jorg” en “Emmanuel”, waardoor het ietsje vlotter werken werd.
Ik heb hen daar zeer veel bijgebracht, dat is mijn job.
En zelf heb ik er ook ontzettend veel bijgeleerd. De eerste dag mocht ik er al vernemen dat ik een Schwabisch accent heb, iets wat daar blijkbaar even herkenbaar is als het Limburgs of het Antwerps hier in Vlaanderen. Ik moet mijn tante echt heel dringend eens vragen of ze oorspronkelijk uit Schwaben komt. Verder leerde ik er ook hoe raar en onlogisch mensen reageren wanneer ze vermoeden dat je niet gehoord hebt wat ze vertellen. Schwester Heidi vertelde me hoe ze hun werk organiseren, en ik reageerde niet direct. Ik moest namelijk eerst even nadenken over de implicaties van hun werkmethodes op de uiteindelijke uitvoering van mijn opdracht. Maar Heidi vermoedde dat ik naar de vertaling zocht en daarom herhaalde ze haar zin. Eerst in kindertaal: “Patient, komen, hier. Patient, vragen, mij: ik, dokter, zien”. Toen ik zei haar vriendelijk duidelijk maakte dat dit het probleem niet was, begon ze opnieuw, alleen deze keer iets luider en nog duidelijker articulerend : “PATIENT, KOMEN, HIER. PATIENT, VRAGEN, MIJ: DOKTER ZIEN”.
Even dacht ik haar te zeggen dat ze niet zo hoefde te roepen, dat ik niet doof was.
Maar toen herinnerde ik me mijn tante, die mij zoveel jaren geleden ook al zei dat ik niet doof was. Ik zei tante drie vier keer, telkens met andere synoniemen, dat ik zeer goed hoorde, dat mijn oren in orde waren, dat haar stem wel degelijk tot mijn hersenen doordrong en dat ik haar dus ontzettend goed begreep. Maar het omgekeerde bleek niet waar te zijn: tante begreep mij niet en nonkel moest tussenkomen. Hij leerde hij me dat niet alle Duitse woorden hetzelfde betekenen als de Vlaamse. Doof in het Duits betekent “stom” in het Vlaams, zat (“satt”) is “verzadigd” en “blau” betekent zowel “blauw” als “dronken”. Met die herinnering in mijn achterhoofd zweeg ik. Ik zei Schwester Heidi dus niet dat ik niet doof was, en ik was er zeker van dat ik nooit meer zo’n Duits-Vlaamse valkuil zou trappen.
Tot ik hen zei dat ik nog een uurtje had.
“Ich habe ein Uhr”. Stomverbaasd keken ze me aan, ze keken naar mijn pols, ze keken me opnieuw aan en zeiden toen heel beleefd “Inderdaad” terwijl ze duidelijk lieten merken dat ze me niet echt begrepen hadden. En gelijk hadden ze: “ein Uhr”, zonder getal er voor, betekent “een uurwerk”, en inderdaad: ik droeg een uurwerk. Logisch toch ? Vijf dagen heb ik daar zo gewerkt. Vijf dagen met het stukje vertaler in mijn hersenen op overdrive. Vijf lange dagen vol verraderlijke taalvallen, vol begripsverwarringen, maar ook met de nodige humor en hilariteit. Het project ziet er veelbelovend uit, het was er heerlijk werken en we hebben er ons uiteindelijk zeer goed doorgeslagen.
Bij ons thuis blijft er al eens een krantje op tafel liggen, zie je wel eens een handtas op een stoel, heeft de afstandsbediening van de tv een vaste stek verworven op de leuning van de zetel en slingert de draagbare telefoon altijd wel ergens rond. De stapels boeken op het tafeltje, dat we na langdurig gezamenlijk overleg ons “boekentafeltje” genoemd hebben, die stapels zijn niet netjes afgelijnd, je vindt er altijd wel een boek dat er schots en scheef bij ligt. Nee, ik zou liegen: heel af en toe, maar dan ook echt heel zelden, vind je in die stapel een boekje dat netjes en correct op zijn plaats ligt, meestal geschreven door een strebertje van een schrijver die echt wil opvallen, maar helaas: door de chaotische organisatie van de andere boeken en tijdschriften valt dit perfect gestapelde boekje helaas niet op. Kortom: ons huisje komt nooit in een interieurtijdschrift want bij ons zie je maar al te duidelijk dat er geleefd wordt. Niets is steriel, het is niet vlekkeloos perfect, je vind er geen gloednieuw design of peperdure vintage, maar het is er ook niet vuil of chaotisch, het is er gezellig, er wordt geleefd en dat is belangrijk.
Ik besefte dat niet, tot onze laatste vakantie.
We verbleven aan de Italiaanse kant van het meer van Lugano. In Zwitserland reden we op brede boulevards vol blinkende kanjers van wagens maar eens de douane voorbij begon Italië. Die smalle straatjes, die kleine wagens, dat voortdurend mikken om de spiegel van de tegenligger toch maar niet te raken, die andere bouwstijl, die net ietsje helderder lucht, dat heb ik nodig om me op vakantie te voelen. Heel eventjes vreesde ik dat dit gevoel snel zou verdwijnen, want bij onze aankomst in het vakantiedomein hoorden we vooral Nederlands praten. Maar gelukkig volstond het om de wagen te nemen en vijf minuutjes richting binnenland te rijden, weg van het meer, om volop in Italië te zijn, met niets dan Italianen. Maar toch… vakantie is ook toerisme, en daarom trokken we op de vierde dag naar Lugano. Weer de grens over, deze keer richting Zwitserland en ik geef het toe: Lugano is een mooie stad met brede lanen, goed uitgedachte wandelstraten, mooie gebouwen, prachtige kleuren, netjes afgewerkt, perfect, zonder foutjes, en helemaal tot zijn recht gebracht door een prachtig stralende zon. Maar het was er warm. Erg warm. Heel erg warm, zodat we al spoedig een bar zochten om iets te drinken.
Aan het tafeltje naast ons zaten vijf jonge mensen.
Ze droegen allemaal een driedelig kostuum van de een of andere dure couturier, - Armani of zo -, een wit hemd, een dichtgeknoopte das en aan hun voeten pronkten onberispelijk glanzende schoenen. Je zag direct dat het collega’s waren. Niet echt vrienden, gewoon vijf mensen die toevallig samen moeten werken. En zoals altijd was er ook in dat groepje een natuurlijke leider. Hij was duidelijk een yuppie met een ronkende manager-titel, en ondanks de pseudo-ontspannende sfeer hield hij zijn jasje aan, want hij was natuurlijk “De Man”. De anderen volgden zijn voorbeeld. Ze leken vrolijk en amicaal, maar ze waren niet helemaal oprecht want er zweemde wel een glimlach op hun gezicht maar hun ogen lachten niet mee, en onder de tafel zag je hun voeten heel ongemakkelijk wiebelen. Eentje begon zelfs lichtjes te zweten. Voelde hij zich niet goed in die groep of kwam het door de warmte ? Vijfendertig graden (boven nul) is natuurlijk niet niks, maar die leider, die bleef zo heel stoïcijns in zijn driedelig pak zitten. Ik zag de zweter een besluit nemen. Hij stond op en trok zijn jasje uit, lichtjes onzeker, terwijl hij de leider voortdurend in het oog hield, klaar om het bij het minste negatieve teken vliegensvlug opnieuw aan te trekken. Echt interessant, die non-verbale communicatie van dat groepje, je hoefde zelfs niet te begrijpen wat ze vertelden maar het was toen bijna halfdrie in de namiddag, we kregen honger en dat was natuurlijk veel belangrijker.
Dus zochten we iets om te eten.
Op de deur van het restaurant stond: doorlopend pizza’s tot 23 uur. Het terras zat goed vol, de pizza’s zagen er lekker uit en gelukkig vonden we net nog een tafeltje voor twee. “Om te eten ?” vroeg de ober. “Ja, voor allebei een pizza calzone graag” zei ik. “Dat zal niet gaan” zei hij, “Het is 14 uur en 31 minuten en de keuken sluit om 14 uur 30 ”. Ik wees naar de deur waar geschreven stond dat we tot 23 uur pizza’s konden krijgen, maar hij herhaalde dat de keuken om 14 uur 30 sloot, dat het nu 14 uur 31 was en dat de keuken pas ’s avonds weer openging. Tot 23 uur nul nul. Toen besefte ik dat ik niet in Zwitserland zou kunnen leven. Het is er te perfect, uit alles blijkt maar al te duidelijk dat ze de koekoeksklok uitgevonden hebben. Die klokken zijn stipt, correct en betrouwbaar. Fleurig, dat wel, met krulletjes en met mooie tekeningetjes, maar zonder variatie. Alle klokken hebben krulletjes en mooie tekeningetjes. Ze hebben allemaal een dubbel deurtje waar elk uur een vogeltje uit komt piepen.
Dat vogeltje roept altijd “Koekoek”.
Nooit eens “Piep”, “Kwakwak” of gewoon “Koek”. En steeds precies op het uur. Nooit eens bijvoorbeeld om 14 uur en 31 minuten. Dat is Zwitserland: alles verloopt perfect volgens de regels. Tijdens de werkuren: jasje aanhouden, ook al is het middagpauze. Das losknopen? Denk er niet aan, ook al is het 35 graden. Frustraties hou je onder tafel. En je houdt de koekoeksklok steeds in het oog. Nee, Zwitserland lijkt me steriel en vlekkeloos perfect, geef mij maar Italië. Ik weet dat nu heel zeker, want de volgende dag reden we naar Como en ik herleefde. We liepen in smalle kronkelende straatjes met huizen in levendige kleuren. Hier en daar was er een barstje of een stukje afbladderende verf. Het was vijfendertig graden en een stokoude man maakte zijn dagelijkse avondwandeling, in driedelig kostuum, compleet met wit hemd en das maar het kostuum was oud en ik meende er zelfs een vlekje op te zien. Er was een gezellige drukte, niets was perfect, maar je zag dat de mensen er leefden, dat er andere dingen belangrijker waren dan perfect afgelijnde straten, vlekkeloze gevels en hersenloos dingen doen omdat het zo voorgeschreven is.
Zo voelde ik me dikwijls. Moederziel alleen. Soms zijn er nog twee of drie andere eenzaten die net als ik wegens werkomstandigheden noodgedwongen in een vreemde stad moeten verblijven.’s Avonds zijn die ook het zoveelste Italiaanse of Chinese restaurant binnengestapt om toch maar wat zogezegd gekend voedsel voorgeschoteld te krijgen voor een min of meer democratische prijs. Maar die keer was het anders. Ik werkte gedurende een paar dagen in een Bretoense stad waar er toevallig net een Keltisch festival doorging. Het stadje Lorient beleefde tien dagen lang een soort mini Gentse feesten. Nu moet je weten dat ik in normale omstandigheden doedelzakken haat, dat accordeonmuziek me de keel uithangt en wanneer ik viool hoor spelen denk ik vooral aan die snaren waarvoor een arme kat haar darmen opgeofferd heeft. Volgens wikipedia is dit niet waar, dat zou een fantasietje zijn. Snaren worden niet van kattendarmen gemaakt, maar van “catgut”, wat dan weer Engels zou zijn voor schapendarmen. Mij kan het niets schelen, bij het horen van een viool denk ik vooral aan die gastro-intestinale toestand, ongeacht of die nu van katten of van schapen komt.
Maar die keer was het dus anders.
Probeer gewoon even de sfeer mee te beleven. De muziek is anders: jonge mensen spelen accordeon en viool maar laten zich ook door elektrische gitaren en een hyperkinetische drummer begeleiden. Resultaat: heel levendige folkrock, met de nadruk op rock (sommigen waren zelfs in kilt !), en dat apprecieer ik wel. De muziek, welteverstaan. De straten zijn ook anders: in normale omstandigheden liggen die er op dat avondlijke uur leeg en verlaten bij en doen ze hard hun best om mijn gevoel van eenzaamheid met volle kracht te versterken, maar nu loop je over de koppen en zie je de jeugd hippe reidansen uitvoeren op die opzwepende muziek. Ze springen van links naar rechts en hun hoofden wippen ritmisch op en neer. Een moedertje huppelt mee, ze droomt van die enkele jaren geleden toen ze, samen met haar huidige man, ook nog uit de bol ging en meedanste met de aankomende jeugd. Ze probeert haar dochtertje de eerste danspasjes te leren terwijl de jonge vader, ernstig en bewegingloos, het kleinste kindje op zijn arm draagt. Hij ziet niet meer wat er toen zo plezant was. De verantwoordelijkheid voor zijn beginnend gezinnetje weegt duidelijk zwaar.
De restaurants, die zijn ook anders.
Vergeet het om tijdig bediend te worden, er is te veel volk. Tegelijk is er meer dan voldoende te zien. Aan de overkant heb je die papa en mama met hun drie jonge kindjes. Het dessert is opgepeuzeld en de ouders genieten van een koffie. Voor de kinderen is het genoeg geweest en het avontuur is reeds begonnen: ze kruipen onder de stoelen en onder de tafels, de pret kan niet op. Wat verderop, links, zitten twee gepensioneerde zussen, vijfenzestig plussers, die er van genieten om samen op vakantie te zijn. Je ziet duidelijk wie het hoogste woord voert, ze zwijgt geen minuut. En dan heb je dat heel oude koppel aan die verre tafel ginds. Geen van beiden zegt iets. Waarschijnlijk zijn ze ergens in de middeleeuwen getrouwd want woorden hebben geen nut meer, ze begrijpen elkaar met een blik. Maar die blik straalt niets uit. Of toch: sleur, jarenlange sleur. Heel anders dan dat andere oude koppel, dat samen met mij binnenkwam en nu twee tafels verder zit. Dat koppel bekijken, dat was mooi. Stralende ogen, glimlachend, genietend van het leven. Ik fantaseer dat ze, na jaren van eenzaamheid na het overlijden van hun partner, opnieuw de liefde hebben ontdekt.
En dan was er dat jonge koppel.
Hij leek achttien, zij zeventien of misschien toch net achttien. Waarschijnlijk was het hun eerste afspraakje in een echt restaurant. Ze hebben een tafeltje voor twee, dat spreekt, en die Franse tafeltjes zijn zodanig klein dat intimiteit gewaarborgd is. Hij kan zijn ogen niet van haar afhouden. Zijn arm ligt op haar arm, op “haar” deel van de tafel. Hij wil haar bezitten, hij hangt voortdurend voorover om dichter bij haar te zijn, en om de haverklap strijkt hij over haar hand. Zij is dan weer heel verstrooid, kijkt overal rond, maar toch is ze graag bij hem. Ze kijkt hem dikwijls gefascineerd aan want hij is grappig, hij is lief en hij vertelt de dingen die ze graag wil horen. Plots beseft hij dat ze al drie kwartier wachten en nog steeds niets hebben kunnen bestellen. Het festival, nietwaar, het is druk en de obers weten niet waar eerst te beginnen. Hij wordt lichtjes zenuwachtig, zijn been begint te trillen, ik zie een lichte boosheid opstijgen. Hij kijkt de zaal rond, zoekt de garçons en probeert hun aandacht te trekken. Ik twijfel. Stap ik op hem toe en fluisteren ik wat vaderlijke raad in zijn oor? Jongen, enerveer je niet. Zolang je aan tafel zit kan je haar in de ogen kijken. Straks stap je weer in het gewoel van het festival, hand in hand, maar dan stap je naast haar. Kijk haar nu maar in de ogen, profiteer er van, zo lang je kan. Maar ik doe het niet. Ik heb geleerd te zwijgen.
Een flashback trekt voor mijn ogen.
Ik zit met mijn vrouwtje aan het ontbijt. Aan een klein Frans tafeltje, in Parijs. We kijken elkaar in de ogen en ondanks de vele jaren huwelijk hebben we elkaar nog zoveel te vertellen. Niet noodzakelijk over onszelf, maar wel over wat we zien en beleven. Over het ontbijtbuffet en de uitgebreide keuze. Over de noodzaak om nu veel te eten zodat we de middag kunnen overleven met slechts een kleine snack, om dan ’s avonds weer uitgebreid te kunnen tafelen in een knus restaurantje. Over koppels aan tafel: koppels die elkaar weinig of niets te vertellen hebben zijn de vreugde in het leven verloren, verdienen niet meer om samen te blijven. Zoals het koppel net naast ons. Die zeggen gedurende het ganse ontbijt geen woord, maar dan ook geen enkel woord. Waarschijnlijk een jarenlang getrouwd koppel dat in een verscheurende routine verzeild is geraakt. Ik beschrijf zijn sokken aan mijn vrouwtje. Witte sokken steken in zwarte schoenen, onder een zwarte broek. Enkel Michael Jackson kon zich zoiets zonder gêne veroorloven , maar hij was dan ook een Wacko Jacko. Het koppel zegt nog steeds niets, ze staren allebei voor zich uit. Die Fransen toch! Na het ontbijt, in onze kamer, stelt mijn vrouw vast dat ze haar tas vergeten is, en ze gaat die halen. De meneer van het koppel zag haar komen, nam het tasje en reikte het haar aan. In perfect Nederlands zei hij:
Ze was ‘alleen’, met vier kinderen. Ik schat dat ze zes, zeven, zeven en acht jaar waren, en het waren haar kinderen, dat voelde je zo. Je voelde alleen niet of ze er alle vier gekomen waren op basis van een vooraf vastgelegd familieplan of eerder wegens een probleempje met anticonceptie. En hoewel ze fysisch aanwezig was zag je maar al te duidelijk dat ze geestelijk eventjes een korte pauze nam. Ze stond in de rij, zoals iedereen netjes haar beurt af te wachten. Eerst hingen de kinderen nog braaf rond haar rokken maar wachten, dat duurt toch zo lang. En zoals het hoort nam de oudste het initiatief.
De hekken langs de wachtrij lachten hem toe.
Stilletjes, langzaam, heel voorzichtig verwijderde hij zich van moeder’s rokken in de richting van wat voor hem een meer dan veelbelovend speeltuig was. Nummer twee en drie vroegen wat minder fervent om moeder’s aandacht en hielden hem goed in het oog. De jongste profiteerde van het sociale vacuüm en kleefde des te vaster aan zijn mama. Even keek ze naar haar oudste zoon, gelaten, zonder emotie, de blik op afwezig, en dat was het sein waar hij op wachtte. Drie tellen later zat hij op een hek. Een echt alfa-mannetje dat zijn domein veroverde. Zusjes twee en drie volgden, en hij gedoogde hun aanwezigheid.
Moeder bleef op non-actief staan.
Nummertje vier vroeg om aandacht, prutste aan van alles en nog wat, waardoor hij haar bijna uit haar lethargische toestand haalde, maar de gsm was hem voor. Een simpele, klassieke beltoon. Ze nam de gsm uit haar tas. Er kwam geen “hallo, met Josefien” of “Met Mieke” of nog korter: “Annick”, nee, het bleef bij een kort “Ja”. De beller was haar dus zeker bekend. Dat bleek nog duidelijker uit de rest van het gesprek. “Ik sta hier aan te schuiven”….”Zoals je gevraagd hebt”… “Maar nee, deze morgen nog”… “Zal ik doen.”. En daarna haakte ze in zonder afscheid te nemen. Geen ciao, geen dag, geen salu, geen doei. Niks. Noppes. De beller was dus wel degelijk goed bekend. Ik vermoed trouwens dat hij aan de bron lag van het strakke familieplan. Haar gezicht bleef neutraal, ze was nog steeds niet aanwezig.
Nummertje vier was ondertussen tot bij de hekken genaderd.
Het alfa-mannetje siste hem toe, veilig, heel hoog van op zijn hek. “Ga elders spelen”. De zusjes, nummer twee en drie, vielen hem in koor bij en de jongste droop af, naar het hek aan de andere kant. Het leek een sociaal strijdtoneel, met drie tegen één. Drie wilden netjes samen blijven, nummertje vier wou er wel bij horen maar hij mocht niet. Misschien hoorde hij niet bij het oorspronkelijke familieplan, kinderen voelen dat snel aan. De drie begonnen gewaagde turnoefeningen uit te voeren. Lenig, dat waren ze wel. Ik heb zelden een meisje van zeven een bijna volmaakte spreidstand zien uitvoeren op twee hekken, maar die keer dus wel. Ze daagde haar oudere broer en haar zus uit om dit na te doen, maar die slaagden er niet in. Nummertje vier wou het ook wel proberen, aan zijn kant van de rij, maar hij geraakte gewoon niet op dat hek.
Zijn hoofd kwam er amper boven uit, ocharme.
“Mama, ik moet plassen”. Dat was het alfa-mannetje. Moeder kwam heel even, een paar seconden maar, terug in de realiteit, en wees naar de struiken. “Ga daar maar plassen”, zei ze vermoeid. Het gebeurde netjes, discreet, en kort daarna werden de gymnastische olympiade verder gezet. Nummertje vier verliet zijn post en sloop stilletjes naar zijn moeder. “Mama, ik moet plassen”. Met een schok werd ze zich volledig van zijn aanwezigheid bewust. Ze was lichtjes geprikkeld, zo leek het toch. “Waarom hij nu ook ? “, zag ik ze denken. Toch wees ze opnieuw naar de struiken en volgde hem een paar seconden, handen in de heupen, om kort daarna weer in haar toestand van vermoeide afwezigheid te verzinken.
Tot ze hem plots weer in het oog kreeg.
Zijn broek was netjes afgezakt tot op zijn sandaaltjes, zijn plassertje was zichtbaar, open en bloot, en het straaltje spoot tegen de struik. “Doe toch je broek wat hoger” probeerde ze te roepen, zonder dat het opviel. Te laat, iedereen had het al lang gezien maar niemand reageerde. Uit beleefdheid. We stonden allemaal in de rij, en aan de reacties te zien waren de meeste onder ons ervaringsdeskundigen. We hadden allemaal al dergelijke avonturen meegemaakt met de kinderen. En alles wel beschouwd waren die vier kinderen daar nog braaf. Alleen, na de plas wou hij door de struiken terugkeren.
De kortste weg.
Maar dat mocht dan weer niet van mama. Tja, hoe zou je zelf zijn, als je weet dat er in de struiken geplast wordt ? Daar loop je toch niet door ? En toen werd het sociaal interessant. Blijkbaar had de jongste, door op dezelfde plaats te plassen als zijn broer, de autoriteit van het alfa-kind onderuit gehaald, want nu mocht hij opeens wel met de andere drie meespelen. Wat hij dan ook deed, uit volle overtuiging, luidruchtiger, uitdagender, met meer dan gewone overgave. En mama stond in de rij, met de blik op oneindig. Langzaam voortschuivend, tot haar beurt eindelijk kwam. Plots leek ze wakker te worden en riep ze haar kroost bij haar. Ze kwamen alle vier, alleen de jongste had moeite om de discipline te handhaven. Hij keek uitdagend naar de mensen die nog stonden aan te schuiven, stak zijn tong naar hen uit, liep overal rond, speelde verstoppertje, alles was nu mogelijk dank zij dat overwinningsplasje in de struiken. Mama werd kregelig, probeerde hem tot de orde te roepen, maar het lukte niet goed. We voelden de spanning stijgen, dat kon niet goed aflopen. En toen was het eindelijk mijn beurt.
Even later hoorde ik op de parking een klein kind heel hard wenen.
“Naar beneden ? Het is toch de bedoeling dat hij naar boven gaat ?”
Het gesprek vond plaats in West-Vlaanderen. Hij kwam uit een andere streek, uit een andere stad die we hier uit discretie niet zullen vernoemen. Laten we gewoon zeggen dat hij uit ’t Stad kwam. In het begin, toen hij pas in de buurt woonde, was er soms een klein taalprobleempje, maar na verloop van tijd raakte dit opgelost. Het was wel wat moeilijker om de personaliteitstest te doorstaan. Je moet weten dat er, althans volgens zijn buren – rasechte West-Vlamingen dus - slechts twee soorten mensen in ’t Stad wonen. Je hebt de luidruchtige persoonlijkheden, die iedereen willen laten weten dat ’t Stad het beste is wat België kon overkomen, en je hebt die stille mannen die je nooit hoort. Die laatste groep ontbolstert slechts langzaam, maar daarna blijken ze meestal wel heel plezante mensen te zijn. Hij behoorde dus tot die tweede categorie. In het begin was hij een hele stille, maar na zijn ontbolstering kon je met hem heel diepzinnige gesprekken voeren. Vol levensfilosofie en steeds doorspekt met een streepje driesterrenhumor.
Nu vertelde hij dat hij een probleempje had met de zwaartekracht.
Het kwam ter sprake toen ze een liedje hoorden uit zijn tijd. Niet zo’n best liedje maar bon, over smaken wordt er niet gediscuteerd. Tijdens samenkomsten met vrienden belandt er soms wel eens een oude elpee – voor de jeugd: een echte vinylplaat - op de draaitafel, en die keer dus ook. De groep heette Alan Parson’s Project en de titel van het liedje was “What goes up, must come down”. Hij trok zijn gezicht eerst in een bedenkelijke plooi en daarna glunderde hij. Hij probeerde snel een heel fijn, geheimzinnig lachje weg te moffelen in zijn baard, maar hij was te laat: hij had de aandacht van zijn vrienden getrokken. En toen kwam het er uit. “Wat naar boven gaat, komt steeds weer naar beneden, tja. Maar je moet het eerst naar boven krijgen”. Dergelijke zinnen waren – in die vriendenkring althans – meestal het startsein voor urenlange vrolijke gesprekken vol dubbelzinnigheden en schaterlachen, maar iets in zijn blik zei dat dit nu niet het moment was.
“Jullie zijn nog geen 55 plussers, jullie zijn dus waarschijnlijk nog geen ervaringsdeskundige” zei hij.
De vrienden hadden het probleem natuurlijk begrepen, maar omdat het binnen dat groepje nu eenmaal een sport was om zo spoedig mogelijk met vrolijke dubbelzinnigheden te beginnen deden ze alsof hun neus bloedde. Hij bleef echter ongebruikelijk ernstig. “Stel je voor: je bent een ridder die steeds uitgedaagd wordt maar die niet tot rust kan komen omdat hij het zwaard nooit in de schede kan steken”. De vrienden wilden het gesprek levendig houden. “Wat bedoel je? Ga je middeleeuws toneel spelen ?”. Hij gaf echter niet op en probeerde een andere beeldspraak. “Nee. Stel: je wilt ten hemel stijgen, maar jouw raket heeft te weinig draagkracht en blijft aan de grond”. “Ah ! Gevonden: je doet mee aan een nieuw stuk over het leven van Dirk Frimout of van Frank De Winne”. “Maar nee”, zei hij. “ik zal het anders zeggen. Je wilt de snelweg naar het paradijs oprijden, maar je hebt een lekke band.” “Nu zijn we er”, zei iemand. “Je bent lid geworden van Touring Wegenhulp”.
“Nie”, zei hij, ten einde raad in ’t plat Stad’s.
“Stel dag’em gewoën nie omwoëg kraaigt”. Plots was er die onwennige stilte. Zoveel eerlijkheid hadden ze nu ook weer niet verwacht. Je zag de mannen in het gezelschap eventjes, heel eventjes maar, de benen toenijpen – het idee alleen al - ! “Allez, jong” zei er iemand, in een poging om toch maar met die dubbelzinnigheden te kunnen starten, “dat is toch niet zo erg? Dan vraag je jouw vrouwtje gewoon of ze eventjes een kopstandje doet, en jij kan er hem dan in laten hangen”. Nu is die mop zo oud als de straat en daar was de groep heel gevoelig voor: oude moppen zijn taboe. Niemand lachte dus. Maar hij nam de draad weer op: “Dat is niet nodig, het lukt weer allemaal prima, proper, netjes en veel beter dan tevoren. Ik gebruik nu Viagra.” Oei. Opnieuw een pijnlijke stilte. En respect. Deze 55 plusser had het Grote Woord er uit gekregen: Viagra. En toen kwam het gesprek eindelijk op gang. Een echt gesprek dan, zonder dubbelzinnigheden, wat niet zo evident was voor die grotendeels West-Vlaamse groep. “Bestaat dat echt, Viahra ? Ik heb het opgezocht op ’t internet, en ik heb dat niet gevonden.” “Je moet wel goed zoeken, beste vriend”, zei hij. “Niet Viahra, maar Viagra. Met een G. Naar beneden”.
“Naar beneden ? Het is toch de bedoeling dat hij naar boven gaat ?”
En zo zijn we opnieuw aan het begin van het verhaal gekomen. Het verschil tussen Viahra en Viagra is trouwens een heel interessant thema voor marketeers want dit zou kunnen verklaren waarom de verkoop in West-Vlaanderen niet omhoog gaat, bij wijze van spreken. Misschien ligt het niet aan de potentie van dat volk maar is het gewoon een taalprobleem. Viagra kan je dus via internet verkrijgen. In feite heb je een voorschrift van de dokter nodig, maar dan betaal je je blauw aan dat pilletje. In de wandelgangen wordt er dus heel wat informatie doorgespeeld tussen mannen die zich wat slapjes voelen, vooral in de bewuste regio. Nu blijkt dat een bepaalde Indische firma de productierechten gekregen heeft voor de oorspronkelijke formule. Het echte spul dus. En dat kan je kopen via internet.
Voor minder dan de helft van de prijs.
De pilletjes zijn wel ietsje lichter van kleur. Lichtblauw dus, maar ze zijn ontzettend efficiënt. Zo efficiënt zelfs dat onze man van ’t Stad urenlang plezier heeft met een kwart van een pilletje. ’s Morgens. ’s Avonds opnieuw, hoewel avondgymnastiek voordien nooit tot zijn favoriete tijdsbesteding behoorde. En de volgende morgen nog eens. En let op: het is niet zo dat je goesting krijgt en dat het zo nodig moet gebeuren. Nee, zonder prikkels gebeurt er niets. Hij mag die pil dus nemen wanneer hij wil, als zijn vrouwtje niet voor de nodige prikkels zorgt blijft het kompas naar het zuiden wijzen. Wat leren we nu uit dit verhaal ?
Dat zo’n pilletje een donkerblauw kleurtje geven evenveel kost als het maken van het pilletje zelf!
We stonden aan de balie van het hotel. Het was laat, heel laat. We hadden er een vlucht van vier en een half uur op zitten of beter gezegd: twee vluchten met een tussenstop van een uur, je kent dat wel. En mocht dat niet zo zijn: geen nood, je mist niets. Je zit namelijk veel te lange tijd in een veel te nauw stoeltje met veel te weinig plaats om te bewegen. Eerst zit je daar tijdens die eerste vlucht, bij de tussenlanding blijf je in dat stoeltje zitten en gedurende de volledige tweede vlucht verandert er niets. Je blijft dus zitten. En die tussenstop, dat is pas een echte marteling. Geplaagd door claustrofobie en veel te hete lucht krijg je langzaam maar zeker een overdruk in de blaasstreek. Helaas ben je niet alleen en per definitie heeft een vliegtuig veel te weinig wc’s. En te weinig is te weinig, denk maar aan de Titanic, die had te weinig reddingssloepen. Sinds die vergaan is hebben alle boten en zelfs vliegtuigen nu wel voldoende sloepen, maar ze hebben hun lesje niet goed geleerd. Ik ben zeker dat er tijdens minstens één tussenlanding ooit wel eens iemand, zo niet meerdere personen, een natte broek zal krijgen. Dank zij het ontoereikend aantal toiletten in dat vliegtuig.
Ze was dus vóór mij.
Zei ze. Hoewel ze náást mij stond. Maar het was laat, na de vlucht moesten we de hostess van het reisbureau nog vinden, daarna de bus, toen kwam er nog een lange busrit en dan eindelijk: het hotel. Het was de gebruikelijke stress bij het begin van de vakantie, maar nu kwam de periode bij uitstek om te ontspannen, rustig te genieten en zalig te filesoferen. Niet voor haar dus. We waren met zes personen aan dat hotel afgestapt, twee koppels plus zij en haar vriendin. Er moesten dus drie kamers toegewezen worden, een kwestie van een paar minuutjes. Toen ik dacht dat het mijn beurt was kwam het er dus uit, kordaat, ietsje bitsig zelfs: “Ik was wel voor u”. Geen “excuseer meneer, ik dacht dat het nu mijn beurt was”, nee: ze zei het zelfverzekerd, met de autoriteit van de vele, vele jaren die van haar gerimpelde gezicht af dropen, versterkt door de zwartgeverfde haren die haar leeftijd moesten verdoezelen. Voor mij maakte het niet uit, er bleven hoe dan ook nog 10 dagen heerlijke vakantie over, ik liet haar dus eerst inchecken. Maar ze bleef ons gedurende de volledige vakantie achtervolgen: tijdens het ontbijt, het avondmaal, op het strand, langs het zwembad, we konden ons nergens in het resort verstoppen zonder haar te zien. De zware weduwe, noemde ik haar.
Gelukkig waren er nog andere mensen, ook blonde.
Wil je wat vreugde in het leven, dan raad ik je aan om in de buurt van blonde mensen te gaan staan. Plezier gegarandeerd. Let op: ik durf hier niets veralgemenen, ik wil niet beweren dat je met blonde mensen meer plezier beleeft dan met donkerharigen, maar ik speel hier eventjes met het horoscoop-effect. “Horoscoop-effect?” hoor ik je nu vragen. Wel ja: stel dat ik hier nu schrijf: “Waterman: deze week staat jou een dipje te wachten”, dan ben ik er zeker van dat de helft van alle watermannen mij op het einde van de week gelijk zal geven. Dus: ik raad je aan in de buurt van blonde mensen te staan. Plezier gegarandeerd – vijftig procent kans toch - . En anders ga je maar in de buurt van donkerharigen rondhangen, bij die zwarte weduwe bijvoorbeeld. Zelf heb ik in ieder geval veel plezier beleefd bij die blondharigen. Bijvoorbeeld bij dat koppel dat al in het hotel verbleven had. De man was grijs, de vrouw was blond. Wij waren nieuwsgierig naar hun kennis en we kregen voldoende uitleg. De zee was dichtbij, en er was ook een hele grote zandbak voor de kinderen. “Schatje” zei de man, “die zandbak, die hele grote zandbak voor de kinderen, die noemen ze wel ‘het strand’!”.
Een paar dagen later verkenden we de streek.
Met onze huurwagen. Onbekende streek, bergstraatjes, hier en daar een wegverzakking, tot plots een deel van de weg versperd was. Er kon net een wagen langs, er waren slechts een paar centimetertjes vrij langs elke kant, even naar links of naar rechts afwijken veroorzaakte gegarandeerd een kanjer van een kras op de carrosserie. En daar stond ze. Ze was uitgestapt, was voor de wagen gaan staan en ze gaf aanwijzingen aan haar man – of haar vriend – die de wagen langs die versperring probeerde te loodsen. Ze was knap. En blond. Met grote hand- en armgebaren wees ze pathetisch naar links, dan weer naar rechts, dan weer rechtdoor, en de man volgde haar richtlijnen nauwgezet terwijl de wagen centimeter per centimeter vooruit kroop. Eventjes bijsturen, wat gas geven, dan weer wat bijsturen, maar plots stopte hij. Handen van het stuur, wijd open in een hulpeloos gebaar, de ogen vertwijfelend vragend ‘wat moet ik nu doen’, maar zij zag het niet. De wagen was maar vijf millimeter meer van de rotswand verwijderd, en daar stond ze, de blonde schoonheid, de baken in tijden van nood, het extra paar ogen voor de chauffeur, volledig in paniek. Ze kon de nakende catastrofe niet meer aanzien. En daarom had ze haar handen voor beide ogen geslagen!
Zou zo’n zwarte weduwe dan toch beter zijn ?
Op de laatste dag hebben we er uiteindelijk toch een gesprekje mee aangeknoopt, met die weduwe. Bleek dat ze ontzettend nerveus was over de terugtocht naar huis, vooral over die luchthaven van Zaventem. Waar zou haar kleindochter haar opwachten? Nu ken ik Brussels airport toevallig een klein beetje en ik probeerde haar dus wat gerust te stellen. Ze viel toch mee, in feite was ze een lief, ietwat angstig oud dametje. Dacht ik. Maar ik heb die visie snel herzien. Want een uurtje later, in de vertrekhal van de luchthaven, stonden we toevallig net achter haar. We volgden haar op de voet omdat ik haar, bij wijze van grap, aan de check-in nog wou zeggen dat we wel vóór haar waren. Maar kijk, als bij wonder schoten we samen sneller op dan alle andere wachtenden. Uiteindelijk was ze nog veel sneller want ze stond vier plaatsen voor ons toen ze incheckte. Een ander vakantiekoppel keek heel verbaasd, en we raakten nog even aan de praat. “Weet je wat die zwarte mevrouw ons zei, toen ze ons voorbij stak ? “ vroegen die ons. “Nee”, antwoordden we.
Hij zei het met een zwaar zuiders Frans accent. Voor de Frans-kundigen onder u, het klonk als: “Vous avez un petit acceng”. “Inderdaad” zei ik, met mijn accentje, “ik ben Belg, Vlaming”. Dat laatste voeg ik er altijd aan toe om onze Franse buren te informeren dat ik, ondanks mijn eerder kleine gestalte, helemaal niet tot de groep van “les petits belges” behoor. Deze “kleine belgen” zijn het onderwerp van vele Franse moppen, ten koste van ons en onze landgenoten. Je kunt hun slappe humor gemakkelijk herkennen: meestal zegt de Belg, het onderwerp van de mop, ergens in het begin : “Dites une fois” en vooral die “une fois” blijkt voor onze zuiderburen ontzettend hilarisch te zijn. Daarom werd dit hun typische zinsnede om een Belg te kenmerken. Dites une fois.
Natuurlijk heb ik dit fenomeen grondig bestudeerd.
Eerst dacht ik dat die ‘petit-belge’ moppen gebaseerd waren op Vlamingen die extra hard hun best doen om Frans te spreken en ‘zeg eens’ of ‘zeg een keer’ ietsje al te letterlijk vertalen als “dites un fois”. Maar na diepgaande controle – ik vroeg een taxichauffeur of die zinsnede kenmerkend was voor Vlamingen of voor Walen – bleek dit een echt typisch Waals kenmerk te zijn. Natuurlijk is deze werkwijze wetenschappelijk niet verantwoord, want één enkel antwoord is echt onvoldoende om daar een volledige hypothese mee te ondersteunen. De volgende taxichauffeur moest er dus ook aan geloven. “Mijnheer, wie zegt er nu het meest ‘dites une fois’? Nederlandstalige of Franstalige Belgen?” Ik was blij dat ik die keer mijn gordel aan had, want de taxichauffeur was van verbazing even zijn concentratie kwijt en miste bijna zijn bocht. “Nederlandstalige Belgen?”
En zo leerde ik dat volgens onze zuiderburen alle Belgen Frans spreken.
Ik heb trouwens een flauw vermoeden dat, opnieuw volgens hen, drie vierde van de wereldbevolking Frans spreekt. Maar dit moet ik nog verder onderzoeken en zo staan er me dus nog heel wat aangename taxiritten te wachten. Met gordel aan. Maar goed: Fransen zijn er zich dus niet van bewust dat België een meertalig land is. Nochtans hebben ze voldoende informatie gekregen over Vlaanderen en de Vlamingen. Om te beginnen in 1302, toen ze ons bestaan aan de lijve mochten ondervinden, maar dat bewuste jaartal zegt hen niets. Blijkbaar had Freud toch gelijk toen hij stelde dat een mens onprettige belevenissen naar het onderbewuste verdringt. Verder zong Jacques Brel over Vlaanderen. Positief en liefdevol over Marieke, negatief over les Flamingants. Maar hij zong wel in het Frans. Dan is er in Frankrijk ook nog een departement dat ze “Les Flandres” (Vlaanderen) heet, en daar spreken ze dus … Frans. Tot slot gaan onze Franse vrienden soms op vakantie naar de Belgische kust. Niet naar De Panne of naar Koksijde, maar naar La Panne of Coxyde, waar zelfs een Vlaming al zijn overtuigingskracht moet gebruiken om correct in het Nederlands aangesproken te worden. In Frankrijk is het is dus meer dan bewezen: Vlaanderen is Franstalig.
Het viel me trouwens op dat Franse taxichauffeurs heel weinig van België afweten.
Zo weten ze bijvoorbeeld helemaal niet dat we in België zes regeringen hebben. Wanneer ik ze begin op te sommen raken ze na drie regeringen zelfs de draad volledig kwijt. Het is nochtans eenvoudig, een klein kind kan ze zo aframmelen, die regeringen. Om te beginnen hebben we onze federale regering met als hoofdstad Brussel. Dan is er een Vlaamse regering in Leuven, en deze regering vertegenwoordigt zowel het Vlaams gewest als de Vlaamse gemeenschap. Verder hebben we de regering van het Waals gewest in Namen, die van het Brussels gewest in Brussel – logisch – en die van de Franstalige gemeenschap, eveneens in Brussel. En tot slot is er nog de Duitstalige gemeenschap in Eupen. Moeilijk kan dat toch niet zijn? Maar zes regeringen, dat zijn er voor hen dus minstens drie te veel.
Franse taxichauffeurs dan wel weer gespecialiseerd in andere weetjes.
Hierbij denk ik vooral aan hun meer dan uitgebreide kennis van het weer. Zeker negen taxichauffeurs op tien zullen jou informeren dat het een vandaag een mooi weertje is, dat het weer tegenvalt voor de tijd van het jaar of dat het nogal regent, naargelang de situatie van de dag. Acht op tien zullen jou eveneens kosteloos informeren over het weer van de voorbije dagen, en zeven op de tien zullen gratis advies verstrekken over het weer van de komende dagen. Geen probleem, hoor ik je zeggen, dat kan ik ook. Maar is dat echt zo? Kan jij zo maar voor de vuist weg vertellen welk weer het drie dagen geleden rond 3 uur in de namiddag was? Ja? Dan ben je meer dan waarschijnlijk een Franse taxichauffeur.
Het feit dat ze dit allemaal weten verbaast me niet, ze zijn per slot van rekening elke dag “buiten”.
Maar de manier waarop ze die kennis vergaren, die is opmerkelijk. Ik ontdekte die na een treinrit van vijf uur naar het warme Franse zuiden. Heerlijk, kil in Brussel en vijf uur later zomerse temperaturen in Zuid-Frankrijk. Die warmte nog voelen in de donkere nacht, na het avondmaal, dat maakt die verre businesstrips soms toch nog leefbaar. “Het wordt bijna zomer”, zei de taxichauffeur. Ik was niet akkoord met zijn visie, voor mij was het daar zomer, met temperaturen die in België terecht als hittegolf bestempeld worden en met een weertje dat we maximaal drie tot vier keer per jaar mogen beleven in ons kille landje. “Nee hoor”, zei ik hem. “Het wordt geen zomer, het is hier en nu al volop zomer”. Maar ik had geen rekening gehouden met zijn diepgaande kennis van het weer. Toen volgde ik zijn ogen. Iedere inwoner van die streek had minstens een lichte pullover aan, maar zijn blik bleef even rusten in de diepe ruimte van een enorm decolleté. De eigenares van die Grand Canyon was verder ook met slechts een minimum aan textiel bedekt. Plots kreeg ik inzicht, en op dat ogenblik begreep ik volkomen het weervoorspellende verhogen van die man.
Echt waar, ik schaam me er voor. Ik begrijp niet hoe ik zo laag ben kunnen vallen. Ik weet nog steeds niet hoe ik me heb laten vangen, maar sinds die allereerste keer doe ik het steeds weer, elke zondagavond opnieuw. Ik zou willen zeggen dat het me spijt, maar daar ligt nu net het probleem: het spijt me helemaal niet, integendeel. Ik ben me volledig bewust van mijn daden en ik doe het zonder wroeging, maar ik schaam me er voor, God weet hoezeer ik me er voor schaam. Er is slechts één klein lichtpuntje in mijn donkere hemel. Een heel kleintje maar: mijn zoon en zijn vrienden hebben zich ook laten vangen, ook zij konden er niet aan weerstaan. Elke zondagavond verzamelen ze in het één of andere hypermoderne studentenkot, met aansluiting en toestel, en ze houden er van. Ze vinden het hilarisch, te gek voor woorden. Super overacting, stomme situaties, stereotypischer kan het niet. Ze genieten ervan. Met volle teugen.
Van Louis. Of is het van Louise?
De nieuwste uitvinding, een nieuw soort vervolgverhaal op tv. Een telenovelle noemen ze het, en de term dekt de lading. Een stationsromannetje, een stripverhaaltje in 200 afleveringen. Nadenken is ten strengste verboden, volg gewoon het verhaaltje en stel je vooral geen vragen. Geen enkele, want dat is des duivels. Doe je het toch, dan ben je verloren.
Zoals ik.
Ik heb het gewaagd om me, tijdens het kijken, het een en het ander af te vragen. Volg mijn gedachtengang en je zal het begrijpen. Het verhaal gaat als volgt: onze man, de Louis, wordt plots een vrouw, Louise. Zomaar, in één nacht. ‘s Avonds gaat hij slapen als man en ’s morgens staat hij op als vrouw. Zonder heelkundige ingreep, zonder pijn, gewoon door wat amateuristische voodoo van een paar vrouwen. Laten we nog even stellen dat dit kan, want je voelt wel dat dit nodig is voor het verhaal. Die Louise, de dag ervoor nog Louis dus, heeft die morgen dus pas ontdekt dat hij plots vrouw geworden is, en wat doet die? Driemaal raden: fout geraden. Ze gaat gewoon uit werken. Naar het werk van de oorspronkelijke Louis. Zelf zou ik direct een psychiater, een voodoo-priester of een plastische chirurg opzoeken maar nee, hij/zij gaat werken.
En nu komt het.
Louis/Louise beweert de nicht te zijn van de oorspronkelijke Louis, en voor die werkgever is dat voldoende garantie om te aanvaarden dat die vrouw, die Louise, zomaar de job van haar zogenaamde neef overneemt. Dat gaat er bij mij niet in. Daar ben ik me echt vragen beginnen stellen. Het leek eerst een plezant grapje, een mooi verhaaltje, maar nu werd het bittere ernst. De vragen stroomden op me toe. Wat als het een bedriegster is? Stel nu dat ze in feite een kuisvrouw is? Wat als ze plots weer in man omge-voodoo-d wordt? En dat was nog maar het begin. Sindsdien blijf ik naar dat feuilletonnetje kijken. Om antwoorden te krijgen. Maar die komen niet, integendeel zelfs. Het verhaaltje heeft een verslavingsfactor 20 want er komen steeds nieuwe elementen bij, de intrige wordt steeds verwarrender, en daarom kijken wij elke zondagavond de vijf afleveringen van de voorbije week volledig uit.
Wij, mijn vrouwtje en ik dus.
Ik weet dat het geen nut heeft, ik weet dat niets waar is, ik besef dat wat ik zie gewoon niet mogelijk is, en toch moet op zondagavond alles wijken voor die novelle. En hoe meer afleveringen ik zie, hoe meer vragen er komen. Ik word er bijna stapelgek van, want ik krijg geen antwoorden, alleen maar nieuwe vragen. Hoe kan een ex-man, een echte rokkenjager, in amper 30 afleveringen stapelverliefd worden op een andere man? Wanneer wordt er in dat bedrijf ooit eens gewerkt, maar dan ook echt gewerkt? Hoe slaagt Louise er in om de duurste loft van Gent te kunnen betalen? Hoe vult hij/zij het geslacht in bij administratieve formulieren? M, V of I (Man, Vrouw of ‘Ik weet het echt nog niet zo goed’)? Waarom is er maar 1 café in Gent, Skybar genaamd? Waar vind ik die trouwens? Ik wil er namelijk wel eens een pint gaan pakken. Waarom helpt Louise’s hartsvriendin, een psychologe, zo hard om de beste leugens te verzinnen in plaats van gewoon de waarheid te vertellen?? En zo borrelen de vragen voortdurend op, maar ze blijven helaas zonder antwoord.
En dat maakt van mij een verslaafde.
Ik denk dat het met jeugdherinneringen te maken heeft. Met stripverhalen, daar was ik fan van. Eenvoudig, mooi getekend en vooral: repetitief en stereotiep. De would-be slechterik is steeds slecht en heeft steeds pech. Krimson pest Suske en Wiske, Anatool, Kwak en Boemel willen Jommeke en co dwarsbomen en Dame Thea doet verwoede pogingen om de familie Kiekeboe het vuur aan de schenen te leggen. Vergeefs. Dat mag ook niet, want dit druist in tegen alle conventies van het jeugdstripverhaal. De helden moeten winnen, de slechteriken moeten verliezen. Zo zal het ook zijn in Louis/Louise. Alleen weten we nu (bij het schrijven van dit verhaaltje) nog niet hoe dit zal aflopen. Wordt Louise opnieuw Louis? Blijft ze een vrouw en valt ze dan definitief voor die man, of mag zij/hij kiezen wat hij/zij later wil worden? Vragen en suspens. Verslavend. Bij het verhaaltje van Sarah was het gemakkelijker: iedereen kent het verhaal van het lelijke eendje, en dit was gewoon een kopie. Beugeldragend puistkopje wordt schitterende diva en verovert de prins in 200 afleveringen.
Oei !
Ja, deze keer heb je me echt betrapt. Jarenlang heb ik er aan weerstaan. Aan soaps en andere luchthartige feuilletons. Buren, Dallas, Dynastie, Thuis, Wittekerke en Familie, niets voor mij, ik kan er vlotjes aan weerstaan. Maar de stripfiguurtjes van Sarah en Louis/Louise hebben mijn hart veroverd. Ze zijn te stereotiep, te gek voor woorden, te erg over de top. En daarom palmen ze al mijn zondagavonden in.
Toneel, dictie en dans, gebracht door de kinderen van mijn dorp en omstreken. Een auditie van de kunstacademie. Auditie, dacht ik, toen ik het zag, nee maar! Toneel van de bovenste plank, dat was het. Gedichten van Paul van Ostayen op ongeëvenaarde wijze gebracht. Een dansspektakel, Anne Teresa de Keersmaeker waardig. Veel beter dan mijn eerste pseudotoneelervaring, in het eerste kleuterklasje, bij juffrouw, hoe heette ze ook weer? Juffrouw Emilienne denk ik. Het spektakeltje was goed voorbereid. Maanden heeft dat geduurd, die voorbereiding. Hoewel… maanden? Voor ons, kleuters, duurde een weekend reeds ontzettend lang. Een week, dat was een eeuwigheid. Achteraf beschouwd lijkt het wel alsof die periode in dat eerste kleuterklasje jaren geduurd heeft – en nee, ik heb het niet gebist – ! Om maar te vertellen dat het dus lijkt alsof de voorbereiding op ons eerste optreden maanden en maanden en maanden duurde.
Maanden voorbereiding, dat kruipt niet in de koude kleren.
Gedrild werden we, tot en met. Eerst moesten we de instrumenten leren kennen. Iedereen kreeg iets: cimbalen, een triangel, een tamboerijn, een trommel of een ander slaginstrument, klophoutjes, sambaballen, zelfs heuse castagnetten en een stemvorkje om zo'n mooi 'ting'-geluid te maken. Het was een leuk ensemble. En de juf speelde op haar gitaar de perfecte baby-blues, het kon dus niet mislopen. Eerst het ritme aanleren door in de handjes te klappen. Daarna even proberen om allemaal samen, tegelijk, netjes volgens het ritme op ons instrument te rammen. Rammen, beter kan ik het niet beschrijven. Je moet weten dat we net de luiers ontgroeid waren en dat we dus, logisch op die leeftijd, allemaal op die ene mooie trommel wilden kloppen. Dus ramden we op ons slaginstrument als was het een trommel. Behalve dat vriendje met de castagnetten. Die had wat problemen met z'n vingertjes die tussen de twee schelpjes gekneld raakten. Baby bleus met blauwe vingertjes… En de juf maar dapper het ritme aangeven met handgeklap. Geduld dat die had, ongelooflijk.
Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik de kleuterjuffen respecteer.
Na een kleine maand hadden we het onder de knie, zodat het tijd werd voor de volgende stap. Nu moesten wij, net als grote mensen, zelf het ritme bijhouden terwijl de juf het liedje op de gitaar zou spelen. Inderdaad: zou spelen, want dat was wel lichtjes problematisch: tot nu toe had in feite nog niemand het ritme echt beet. We speelden dus allemaal op het gevoel, en net aan dat gevoel scheelde er nog wat. De trom klonk boven alle instrumenten uit. Alle andere kinderen klopten dus sneller dan de trom, zodat je toch zeker hun instrument zou horen. En uit miserie raakten die vingertjes dan toch weer tussen de castagnetten zeker, terwijl het even daarvoor nog zo lekker liep. Dat alles betekende dus weer een maand werk om de zaak vlot en de vingertjes roze te krijgen.
En daarna begon pas het echte werk.
We hadden al zo'n zware tijd achter de rug, maar toen werd het echt serieus. We moesten het ritme ontdubbelen. De stemvorkjes mochten vier keer tikken tegen de trom één keer, de cimbalen mochten één keer om de twee trommen schellen, de triangels om de twee stemvorkjes, de tamboerijnen ook, maar dan wel op het andere stemvorkgetingel dan dat van de triangels, en de castagnetten mochten het basisritme bepalen: acht keer per stemvorkje. Twee blauw gezwollen castagnettenvingertjes later werd dat plan snel afgeblazen. Er werd besloten om het bij het simpele basisritme te houden en de aandacht toe te spitsen op het modegebeuren, de creatie van de kostuums.
Want de première naderde.
We leerden de wondere wereld van karton en crêpepapier kennen, de wereld van schaar en lijmpot, van geluk en mislukking, van mooie gezichtjes met minder mooie hoedjes en van mooie hoedjes op minder mooie gezichtjes. Haute couture op laag niveau, de wieg van menig hoogstaand modemaker. Het bleef zelfs niet bij hoedjes, er werden heuse kostuums gemaakt. Ik kan het me niet goed herinneren, maar ik denk dat de juf stiekem een aantal kostuumpjes afwerkte na haar uren. Het schijnt dat dit nu nog gebeurt in de textiel, en bij de grootste couturiers nog het meest…
Na de creatie volgt natuurlijk het defilé.
Dat was pas echt leuk om te leren: stappen als een heuse fanfare, maar dan in het klein. Eerst moesten we in cadans stappen terwijl we tegelijk op onze instrumenten speelden. Dat lukte tamelijk goed, zolang de juf meeliep. Eén en twee en één en twee goed ..zo en een en twee en… Leuk. De volledige klas liep vlotjes in de pas, en joepie, voor één keer zonder blauwe vingertjes. Het bleek nu zelfs gemakkelijker om met een triangel rond te lopen dan met zo'n zware trom. Maar helaas, het mocht niet zijn. Zodra de juf zich neerzette om gitaar te spelen was het ritme eruit. Het werd dus terug naar af.
In z'n definitieve versie werd ons spektakel ingeleid door een modedefilé in soldatenmars, gevolgd door een perfect lineaire opstelling, waarbij iedereen stil bleef staan om het stukje percussie te laten weerklinken. Het was perfect. En toen werd het tijd voor het slotstuk. De administratieve organisatie. Wij kregen allemaal een stukje papier en we waren blij dat we -eindelijk- weer eens iets mochten kleuren. Back to basics. Maar helaas. Het bleek een brief voor onze ouders te zijn, die per kerende post moesten laten weten wie naar het optreden zou komen kijken: peter en meter, opa en oma, mama en papa natuurlijk, zonder twijfel, en misschien ook wat tantes en de nonkels? Groot was mijn ontgoocheling toen ik met mijn brief thuiskwam: ik zou mijn peter en mijn meter, mijn tantes en nonkels wel zien, maar niet op school. Op de dag van het grote optreden moesten we met ons gezinnetje naar de familiereünie bij tante en nonkel in Gent.
Hij maakt shingles. Nee, geen dakbedekking, of toch heel weinig. Shingles voor tegen de buitenwand. Houten shingles. Van bij de start ligt het al vast of je een goede shingle zal maken of niet: je moet namelijk de juiste boom kiezen. Met hard hout. Dat vind je bij kanjers met meer dan een meter omtrek, minstens 250 jaar oud. Mensen denken: een vers gekapte boom, dat is jong hout. Jongens toch, hoe kunnen die zich vergissen. Tel de jaarringen van zo’n reus maar eens na, dan zie je dat zo’n boom al een paar centimeters dik was toen Napoleon geboren werd. Dat is het hout dat je moet zoeken. Dat hout, dat is sterk. Je vindt het nog in het oosten, in Polen, in Oekraïne en in het Europese deel van Rusland.
En het is goed werken zo.
Hij is zijn eigen baas en werkt met zes mensen. Hij is de grootste leverancier van Zwitserland, waarschijnlijk zelfs van Europa, en hij was nu, net als ik, gestrand in Madrid. Ik had die dag geluk, en toch weer niet. Ik heb reeds veel vluchten achter de rug, maar dit was mijn eerste businesstrip met een tussenlanding. En het mocht al niet zijn: wegens vertraging had ik mijn verbindingsvlucht gemist. We stonden al in de vertrekhal in Pamplona, een luchthaventje met een paar vluchten per uur, voornamelijk ’s morgens en ’s avonds. Je kan het qua sfeer bijna vergelijken met een treinstation in een provinciale stad. Wij stonden in de hall, vertrekkensklaar, wachtend tot de deur zou open gaan om naar het vliegtuig te wandelen in de stinkende kerosinelucht, de trap op te gaan en onze seatbelts te fastenen, en toen zag ik het. De business-class pakken en dassen, gevuld met de bijhorende managers, die mochten niet meer inchecken. Oei, dacht ik. Probleempje. Kan ook niet anders, daar in Spanje.
Hola !
Zo begroeten ze je altijd. Hola! En dan nog iets. Hola ketal, denk ik, maar vooral die hola, daar ben ik toch zo voor op mijn hoede. Het lijkt steeds alsof je iets fout gedaan hebt. De incheckdame had het me ook al gezegd: “Hola!”. Ik had het moeten aanvoelen, en zie je: nu was er iets fout. Iedereen stormde weer naar buiten, de business-class pakken het eerst. Voor mij was dat jammer, want het duurde een hele tijd eer ik een begrijpelijke uitleg in het Engels kon krijgen. “Hola, what’s happening ?” vroeg ik aan de dame. “Airplane delayed. Two hours” zei ze. Twee uur vertraging. Minstens. “Hola ketal, binnen twee uur vertrekt mijn vlucht uit Madrid naar mijn warme bedje in België, wat moet ik nu doen?” Probeerde ik te vertellen. En zo leerde ik dat ik mijn ticket kon inwisselen voor een latere vlucht. Wat betekende: opnieuw aanschuiven.
Ik was blij dat ik niet meer in Brussel werkte, zo heb ik veel minder files.
Dacht ik, toen ik van werk veranderde. Maar ik stond nu al een uur aan te schuiven, en het ging niet echt snel vooruit. Zowel de mensen die hun bagage moesten droppen voor de vluchten die wel nog doorgingen, als wij, die tickets wilden wisselen, moesten aan dezelfde twee balies zijn. Nu begrijp ik waarom je altijd twee uur voor het vertrek ter plaatse moet zijn. De vrouw voor mij werd zenuwachtig en haar man kon er ook wel wat van. Waarom duurt het toch zo lang? Iedereen blijft daar maar kletsen aan dat loket, en die loketman lijkt zich helemaal niet op te winden. Beseft hij wel hoe ernstig de toestand is ? Zoveel kon ik toch opmaken uit hun Spaanse gebabbel, en nog meer uit hun lichaamstaal. De stress sloeg toe, de man werd rood, met lichte neigingen tot purper-paars, en de vrouw moest vier keer gaan plassen. Maar ze kwam wel telkens terug om de rij opnieuw langer te maken en om haar man nog wat meer te stressen. En toen was het – eindelijk – hun beurt. Na vijf minuten begrepen ze dat tickets wisselen geen zin had: het vliegtuig zou wel vertrekken, alleen twee uur later dan voorzien. De volgende vlucht was om zeven uur, maar die was volgeboekt. En wilden ze wisselen, dan moesten ze een nieuw ticket kopen, ten vroegste voor de vlucht van morgenvroeg, want de huidige vlucht is niet afgelast, alleen vertraagd. Na vijf minuten was dat duidelijk, en toen is mevrouw nog tien minuten aan dat loket blijven hangen om te klagen over hoe slecht de dingen in de wereld toch wel geregeld zijn. En dan, eindelijk, mijn beurt. Gelukkig in het Engels.
Met die vertraagde vlucht raak ik wel in Madrid, maar kan je me ook nog naar Brussel brengen, liefst vanavond nog ?
Vroeg ik de man. Helaas. Vandaag kon niet meer: ik stond al op de laatste vlucht geboekt. En die zou ik missen. Ten vroegste morgen, rond negen uur. Een hotel dan ? Dat kon. Zo ben ik dus in Madrid blijven overnachten, op kosten van de luchtvaartmaatschappij. En daar heb ik hem ontmoet, de shingle-man. Ik bestelde een koffietje, hij sigaretten. Maar sigaretten verkochten ze niet, dus gaf ik hem er eentje. Ogenblikje, zei hij, ik ben zo terug, en hij vertrok samen met een net iets oudere maar heel frisse en montere dame, met donkere haren en pretlichtjes in haar ogen. Tja, dacht ik, die ze ik niet terug. Je hoort vaak over die oude bok en dat groen blaadje, en nu zag ik hier een iets oudere geit en een dito groen blaadje (sorry voor de woordkeuze, mevrouw, het is een variatie op een gekend spreekwoord). Maar kijk, vijf minuten later was hij daar alweer, hij kwam bij mij zitten en vertelde over zijn shingles. En nog veel meer.
Jouw eigen baas zijn, dat is heerlijk.
Zei hij. We komen nu wel van Marrakech, en wegens vertragingen zijn we hier gestrand, maar dat is allemaal niet erg. Het was namelijk een speciale reis. Tja, dacht ik, groen blaadje…. . En dit weekend is het mijn vaderweekend. Ik alleen, samen met mijn zoon. Aha, dacht ik, jij was eerst een oude bok ! En het is mijn moeders zeventigste verjaardag, zei hij, maar mijn zoontje houdt niet zo van feestjes bij oude mensen, hij vindt dat te saai, dus gaan we niet. Tja, dacht ik, geen aardje naar zijn vaartje dus. Maar ik moest toch op businesstrip naar Marrakech, zei hij – business, dat zal wel, dacht ik -, en mijn vader houdt niet van vliegen en zeker niet van steden, terwijl mijn ma er al heel lang van droomt om eens naar Marrakech te gaan, dus dit was het moment. Ik heb ik haar meegenomen op mijn businesstrip. Die dame ? vroeg ik. Ja, zei hij.
Oei. Zeventigers met donker geverfde haren zien er toch wel heel jong uit dezer dagen.